Aan de balie in Kazerne Dossin, het museum van de Holocaust te Mechelen, zat tot voor een paar jaar een bediende (Steven) die er flink tegen zijn goesting werkte. Hij leek steeds nors en toornig, alsof hij boos was op de wereld. Ik wist beter, Steven was een beloftevol
kunstenaar die – tot zijn grote wrevel – nog net niet van zijn artistieke talenten kon leven. Daarom moest hij om den brode voorlopig de gemeenschap dienen door zich behulpzaam en nuttig op te stellen ten gerieve van de bezoekers. Ik maakte vaak een praatje met hem wanneer ik als gids mijn groep stond op te wachten. Dat gesprek ging al eens over politiek, wat niet altijd even relax verliep voor mij, want Steven had ultralinkse ideeën. Hij was gekant tegen “ons systeem”, dat wil zeggen: onze op een gezond kapitalisme gebaseerde samenleving, met inbegrip van alle sociale voorzieningen, en ook voor hem een eerder comfortabele job. Neen hoor, hij kapte op het vrije Westen, met Amerika op kop en – niet
verschieten – wie waren de grootste boosdoeners in zijn ogen: de Joden!
Tja, je zal maar in een Joods museum werken en tegelijkertijd bijten in de hand die je voedt. Enfin, Steven was daar geen uitzondering op dat vlak, de communistisch gezinde werknemers waren er in niet geringe getale aanwezig. Er werd zelfs nog in stilte gesupporterd – ook vanuit de hogere directie – voor de “partizanen” en “vrijheidsstrijders” uit het “revolutionaire” China en de Sovjet-Unie.
Wie, integendeel, de Vlaams-nationale kaart trok, die werd al snel verketterd. Ik had een collega-gids die ooit op een lijst voor de NVA had gestaan. Wel, dat heeft hij enkel aan mij toevertrouwd. Hij wist dat hij zou afgestraft worden met minder gidsbeurten en meer controle voor die foute (rechtse!) keuze. Indien iemand daar zou bekend hebben dat hij aanhanger was van het Vlaams Belang, dan was hij/zij op staande voet ontslagen geweest, tot zover reikte de diversiteit, de tolerantie en de verbinding binnen Kazerne Dossin. Wat Vlaamsch is, valsch is, luidde hun ongeschreven motto. Daarmee werd hun overkoepelende Vlaamse (!) overheid vierkant in het gezicht uitgelachen, enkel hun geld was welkom.
Ik had als gids steeds de gewoonte om ruim voor het aanvangsuur reeds mijn eerste bezoekers op te wachten. Zo raakte ik dikwijls aan de babbel met zij die vroegtijdig toekwamen. Op zekere dag vroeg een pronte dame mij: meneer, jullie zijn zeker allemaal Joden hier, toch alleszins de gidsen? Euh, neen mevrouw, hier werken slechts een paar mensen die van Joodse origine zijn.
Ik verzweeg uiteraard dat de meerderheid er zelfs anti-Israël gezind was, enkelen waren bovendien – raar maar waar – onvervalste Jodenhaters (waarvan ik ook Steven de baliebediende verdacht). De dame in kwestie leek toch wat verwonderd door mijn antwoord. Dat had ze precies helemaal verkeerd ingeschat, maar dan deed ze zoiets als een inhaalbeweging, met heel veel overtuiging zei ze (riep ze bijna): “jamaar, die meneer daar aan de balie, dat is toch onmiskenbaar een… echte Jood, met zo’n uiterlijk valt dat niet te ontkennen, ik zie dat aan zijn gezichtsuitdrukking en zijn lichaamstaal, die zit daar dus perfect op zijn plaats, hij staat symbool voor zijn volk, zo schoon is dat toch”.
U hebt het begrepen, beste lezer, zij had op Steven gewezen, ik weet niet of hij het had gehoord. Hij tandenknarste, maar dat deed hij bijna altijd. Ik heb – toegegeven – het spel toen even vals meegespeeld, ik heb die zich compleet vergalopperende madam in haar spontane “wijsheid” gelaten. Of dat clandestien hilarische incident ermee te maken had dat Steven niet zoveel later Kazerne Dossin heeft verlaten, weet ik niet. Wat ik wél weet: plots zat hij aan de balie van het stadskantoor in Leuven, een plek die hem volgens mij nog beter past, want onze stad is het perfecte bastion voor wie én woke én Palestijns én anti-Joods denkt, rechts-conservatieve en traditioneel-Vlaamse mensen (zoals ik) worden er niet echt op handen gedragen. Niettemin maak ik er nog graag een praatje met mijn onorthodox Joodse kameraad, dag jong!
Steven was niet de enige artistieke vogel die men in de kringen van Dossin kon tegenkomen. Er was ook de onvervalst Joodse zanger en entertainer Paul Ambach die er wel eens rondliep, de man staat beter bekend als Boogie Boy. Zijn vrouw is trouwens een Vlaamse die zich bekeerde tot het Jodendom, ze werkte sporadisch als gids in het museum. Niet verschieten nu, het was Boogie Boy himself die mij ooit de rock and roll gids noemde, door die uitlating was ik in even grote mate geschrokken als vereerd. Dat kwam uit de mond van een
rocker die tevens de Joodse zaak genegen was, dacht ik toch. Want toen Herman Brusselmans zijn abjecte uitspraak in Humo deed – “telkens ik een Jood tegenkom, heb ik zin om hem een mes door de strot te rammen” – was de publiekelijke repliek van Boogie Boy hierop: en dan? Vrij vertaald: hij nam er geen aanstoot aan. Ik zal het nóg verder vertalen en verklaren voor u: Paul Ambach runt het bedrijfje Boogie Boy, die eenmansfirma moet renderen in de hip-links-trendy sector, met ander woorden: zijn kassa moet blijven rinkelen. Daarom durfde de Jood Ambach de zaak van zijn eigen volk niet verdedigen. Hij hield zijn kak in, met toegenepen billen duwde hij mee aan het mes van bruutzak Brusselmans. Dat bracht zoveel meer geld op dan “idealisme & Israël”, waaraan hij op andere tijden gratis en vrijblijvend lippendienst kon bewijzen. Sorry, maar dat is de rock and roll van een slappe lul, een brulboei en een roeptoeter die zijn eigen angsten (om centen te verliezen) laat voorgaan op zijn Joodsheid, een geloof dat hij belijdt of wegsmijt zoals het hem van pas komt: voor zijn portemonnee.

Ik had in Kazerne Dossin ook een collega-gids die het beroep van chirurg had uitgeoefend. Die man excelleerde vooral in zijn niet aflatende betrachting om van het museum een locatie voor de “mensenrechten” te maken. Inderdaad, dat begrip staat in de titulatuur, maar die gepensioneerde arts speelde het zo hard dat hij tijdens zijn rondleiding nauwelijks nog de klemtoon legde op de Jodenvervolging tijdens WOII.
Het was alsof hij met chirurgische precisie de Holocaust wou wegsnijden. Wat niet weet niet deert, leek zijn motto. Dossin was voor hem de kerf- en snijtafel om de historische pijnen en smarten van een eeuwenlang vervolgd volk “uit te roeien”. Soms meende ik de woede van die gewezen geneesheer te voelen: de kanker die de Joden (volgens hem) uitmaakten op aarde. Hij wou de wereld helen en genezen, hij ging voor de Jodenreinheid, ik dacht aan een gelijkaardige slogan van de nazi’s.
In Dossin liepen niet weinig griezels rond, met het gezicht van gids, directielid of bediende. Ik ben nog altijd blij dat ik er gewerkt heb, het was een persoonlijke verrijking, maar ik ben zo content dat ik er definitief weg ben. Ik voel me als een Vlaamse Jood die werd uitgestoten, maar daardoor tegelijkertijd voorgoed gered werd.
