Op 1 mei 1985 was ik ’s nachts als postoverste van dienst op het Koninklijk Paleis te Brussel. Alles verliep rustig, zoals altijd, de mannen speelden met de kaart en dronken een glas. Mijn taak was om er op toe te zien dat niemand dronken werd en dat ze ieder uur hun patrouilles deden.
Zowel in het Paleis zelf als in het park moest een veiligheidsronde gedaan worden.
Dat was niet meer dan een gezondheidswandeling, er rustte ook geen dreiging op het Koninklijk domein en zijn bewoners.

Maar niettemin, voor dat behoorlijke loon, inclusief aanzienlijke premie, diende toch een minimum gedaan te worden. Het was dus de taak van de chef om die opdracht te activeren. Toegegeven, een makkie, de rest van de nachtelijke uren kon ik ruimschoots besteden aan het lezen van dikke boeken.

In die premature tijden regeerde er nog geen internet. Facebook was nog verre fictie en porno stond gewoon op papier.

Maar op die avond van het Feest van de Arbeid, waar wij slechts een zeer bescheiden bijdrage aan leverden, klonk er plots een onwezenlijk harde knal.
De kaartspelers keken even op, er gutste zelfs wat bier uit hun glas. Maar ze waren tamelijk professioneel en gingen meteen onverstoorbaar door met klaverjassen.
Ik rende zelf in een ijltempo naar buiten, pistool in de hand en maande hen aan om mij te volgen. Dat deden ze bijna direct, weliswaar in een slakkentempo, en met de kaarten nog vast omklemd.

In het park was er niks te zien, het Paleis stond er vredig bij te pronken, gans de omgeving sliep. Maar dan werd plots de rust verstoord, van alle kanten begonnen de sirenes te loeien, de nacht bloeide onrustwekkend open. Wij wisten van toeten of blazen wat er gaande was. Ik moest iets doen, initiatief nemen, tegen beter weten in. Ik stuurde twee kaarters het Paleis in en nog eens twee sjarels op ronde in het park. Dat werd zonder morren uitgevoerd, verwonderlijk toch, want de speelkaarten lagen onbeheerd en het bier verschraalde. Maar wij wisten dat het menens was, die gortdroge knal gevolgd door het krakend geluid van een massale implosie was bangelijk geweest. Het was alsof er een gigantische gebouw was ingestort, het gonsde nog minuten na van rondvliegende brokstukken, klodders steen en beton.

Ter plekke bleken de patrouilles echter niets op te leveren. Op ons lokale werkfront was de situatie intact. Ik besloot dat alles onder controle was en ik kon het hernemen van het kaartspel ook niet verbieden. De mannen vervingen het lauwe bier door een frisse pint. De kaarten werden weer gedeeld, het leven van een rijkswachter ging altijd verder, met spel en drank.

Het was pas uren later dat ik werd opgebeld door mijn grote baas met de droge melding dat er vlak in de buurt een zware bomaanslag had plaatsgevonden. In de Stuiversstraat, pal aan de overkant van het Centraal Station, was een bom ontploft die in een auto was verstopt.

Eerst ging het nog om een brandend voertuig en daarom waren de pompiers ter plaatse gekomen. Een makkelijk routineklusje dachten ze.

Toen twee brandweerlieden vlak bij de auto waren, ontplofte het zaakje.
Allebei op slag dood. De daders bleken leden van de extreemlinkse Cellules Communistes Combattantes (CCC). In een telexbericht hadden ze de aanslag aangekondigd, met opgave van plaats en exacte tijdstip, eveneens met de dringende vraag om de omgeving te evacueren.

Tenminste dat was hun uitleg achteraf.
En dan nog, dat neemt het weerzinwekkende van de aanslag niet weg.
Eén van de brandweerlieden bleek nog aangetrouwde familie van mij.
Zijn vrouw was mijn mooiste nicht, Monique la belle de Bruxelles.

Ik mag het vervolg eigenlijk niet schrijven, de retroactieve deontologie verbiedt het mij, maar toch: ze rouwde erg kort en werd een sensuele weduwe. De collega’s van haar betreurde man kwamen regelmatig langs om te blussen.
Ze treurde slechts zo lang tot ze opgebeurd werd. Elk om beurt. 

Wat was er uiteindelijk misgelopen? Er volgde een eindeloze rechtsprocedure om de feiten exact uit te klaren.
De dispatching van de politiediensten ging zeker niet vrijuit. Het was in die vroege jaren ’80 nog overal amateurisme troef.

Niet alleen ten Paleize werd er flink met de kaarten gespeeld en dikke pinten gedronken. Dat was de gebruikelijke bedrijfscultuur, daar hoefde een chef zich zeker niet mee te moeien. De hogere hiërarchie kneep immers een oogje dicht. Dat was goed voor de sfeer, het hield de manschappen kalm. Dat was de verdoken boodschap die de top van het commando gaf.

Het zou nog tot begin van de jaren ’90 duren eer de grote drooglegging plaatsvond. Opeens was het afgelopen met de bak bier onder tafel in het wachtlokaal. De mannen zaten er comfortabel met hun voeten op.
Ik fantaseer dit niet.

Ik heb ooit geweten dat ze ‘rammelend’ op ronde vertrokken. De reden lag bij de flesjes bier die in hun vestzak tegen mekaar kletterden. Ik liet de waar ter plekke uitladen, dat viel niet in goede aarde, ik was een spelbederver, een hettenfretter.

De strafste stoot viel voor toen ik eens zelf een lange dienstronde in het Paleis had gemaakt.
Ik wou de vele gangen en verdiepen solo verkennen, om voorbereid te zijn op een eventuele calamiteit en de adequate maatregelen. Toen ik na geruime tijd terug bij mijn manschappen kwam, mankeerde ik één exemplaar. Op mijn vraag waar betrokkene was, werd ontwijkend geantwoord door de collega’s. Ik was nog niet meteen ongerust, ten onrechte zo bleek snel. De bel van de grote poort ging, ze schoten bliksemsnel toe om te gaan openen. Zeer verdacht, helemaal tegen hun gewoontes in, zulke accurate dienstvaardigheid was hoogst ongebruikelijk. Wie werd er binnengelaten, met zijn eigen auto nog wel? Onze ontbrekende collega!

Om een lang verhaal kort te maken, hij had van mijn relatief lange afwezigheid gebruik gemaakt om even tot bij hem thuis te rijden.

Hij woonde in een deelgemeente van Brussel. Hij moest dringend in zijn kelder zijn, niet wegens wateroverlast, maar bij acuut gebrek aan bier in het wachtlokaal. De manschappen hun bak bier was onvoorzien leeg geraakt, hij had het geriskeerd om in den duik te vertrekken en clandestien een lading drank te gaan tanken. Als een dief in de nacht was hij langs een kelderluik zijn huis binnengeslopen. Muisstil had hij ingebroken, het blond bier was de begeerlijke buit. Het was een geval van onweerstaanbare drang, bepleitte hij zijn tijdelijke desertie bij mij.

Ik was verbolgen, heb hem een bolwassing van jewelste gegeven en de bak bier terstond geconfisqueerd. Dat was een ramp voor die gasten, toen ontplofte er iets tegen hun dienstkop dat zoveel erger was dan de inslag van een bom.

Hun zatte hart werd aangetast, hun dronken inborst was aan flarden getrokken. Ze waren gestraft met verplichte nuchterheid, gedurende gans een ongelukkige nacht. Ik was voorgoed de boeman, definitief de boze postoverste.
Ik had hun collegiale code gebroken. Het kwam pas terug goed toen ze één voor één op pensioen gingen.

De meeste van die mannen zijn niet oud geworden. Ze zagen al rood en blauw op hun vijftigste, van de ingevreten zattigheid. Het bier werd nog vermalen met het gif van de zwaarste tabak. Hun weduwen waren zoals mijn nicht Monique, ze treurden niet maar fleurden op. De Rijkswacht werd gelukkig afgeschaft, de drankfabriek ging failliet.

 

 

Een reactie op “3 december – Alcoholbommen”

Reacties zijn gesloten.