Vlak in onze buurt woont de nogal raadselachtige dame Carla, ze is 50 jaar, ongeveer 1m85 groot, donker van haar en vrij grof van teint, ze heeft duidelijk een bierbuikje, en als ze dronken is – minstens 1 maal per dag – spreekt ze ongewoon luid, haar stem galmt dan door gans onze straat, het is alsof ze door een megafoon praat, nee: ratelt en raaskalt.

Carla leeft al vele jaren van een OCMW-uitkering, maar volgens haar eigen stellige bewering werkt ze wél: ze is meerdere dagen in de week vrijwilliger bij het stedelijk Regenbooghuis, de vaste pleisterplek van het gendergekke maar erg trendy clubje der LGBTQIA+ers, een kleurenbont gezelschap van alternatieve lovers & friends, zoals Carla ons dat letterlijk verwoordt… met een maxi blik Cara-pils in de hand, boerend en proestend, prosit lieve nuchtere buren, schalt ze met haar halfzatte lachje, dat nauwelijks haar inwendige tristesse verbergt. En dan betoogt ze verder: ze is op zoek naar zichzelf, naar haar ware ik, haar allerdiepste eigenheid. Maar vooral: haar nieuwe identiteit, want haar oude persoonlijkheid heeft ze afgelegd, met inbegrip van haar eerdere voornaam die tot haar definitief afgesloten verleden behoort. Want eens was ze helemaal geen Carla, ook geen dame, zelfs geen vrouw, maar gewoon een… jongen, en daarna een volwassen man, ze was… Karl.

Gedurende jaren hebben wij Carla als Karl gekend, een nogal potige kerel, én hem alzo aangesproken, later werd hij een zij, geen probleem, wij pasten ons aan. Wij hadden respect voor zijn nieuwe geaardheid, ondanks het feit dat wij denken dat hij gemakshalve toegeeft aan een modieuze gril: de niet te bedwingen behoefte om gezien te worden als een splinternieuw seksmachien, met binnenkort ook een opgeblazen boezem, getuite ducky lippen, hoger aangezette stem en nog hoger afgestelde hakken dan hij nu al uitprobeert. Wankeler op zijn benen naarmate de drank die hij binnenheeft, komt daarbij nog een opgefokte cocktail van botox en hormonen.
De eertijds (grotendeels) gezond mannelijk ogende Karl is met zijn/haar feminiene ego Carla fors op weg om een medisch-biologisch wonder te worden, hopelijk geen monster.
Maar de dame in de man ziet dat wel zitten (vertrouwt zij ons toe), en het ergste zal zeker niet zijn dat die piet er af moet. Neen hoor, weg met die rammelende en hangende handel tussen zijn/haar benen, zij gaat voor de gespletenheid van de verse snee in plaats van voor de klepel met de klokken. Carla verwacht van haar nieuw geconstrueerde geslacht een ongekende seksuele sensatie. Het zal zoveel bevredigender zijn dan al dat slap gepenetreer met een lusteloze penis of het (laten) spelen met overbodige ballen onder een mislukte lul. Zo horen wij Carla bezig, zij geeft ons een exacte lezing van wat in het evangelie van LGBTQIA+ wordt verkondigd.

De Karl in Carla is afgeschreven, overleden, dood en begraven. Zij draagt nu vrouwelijke gewaden, die haar zoveel ouder maken (ons gedacht), zij gebruikt mascara rond de ogen en blush op haar gezicht, zij stift haar lippen met dikke klodden rouge, ter hoogte van haar (nog behaarde) boezem plakt een lege BH, de operatie waarbij de plastieken borsten worden aangebracht is voor volgende maand. Wij kijken beiden met een lichte verbijstering naar Carla. Wij willen haar niet tegenspreken, wij hopen dat haar seksproject zal lukken. Maar allebei vrezen we dat hier een menselijke catastrofe in aanmaak is, een tragedie in wording, een drama dat gaat aankloppen. Een perfect mannelijke mens neemt hier onder druk van een driftige en hitsige omgeving (de criminele genderbende) zijn zotte wensen voor werkelijkheid: hij wil aan zichzelf ontsnappen, ontkomen aan zijn tot nu toe geflopte leven, dus hij laat de geboren jongen in zichzelf operatief vermoorden. En na die fatale doodslag rest er volgens ons enkel nog het terminale stadium, het allergruwelijkste scenario… een finale uitweg in de zelfdoding. Zo kijken wij met fatale verwachtingen tegen onze nieuwe – want niks in haar wordt behouden – buurvrouw aan. Na dat zelfgewilde afsterven van de ware Karl in haar zal zij met die vervalste Carla ten onder gaan.
Wij kunnen op geen enkele manier verhinderen dat dit rare schepsel, dat wij niettemin respecteren, zich op deze manier zal vernietigen.

Maar ondertussen krijgt Carla applaus op alle banken van haar supporters in het roze clubhuis, de regenboogkleuren van LGBTQIA+ hangen breeduit aan haar voordeur, zij stapt binnenkort parmantig mee op in de Pride van Leuven, met een spandoek van (wie weet) Gays voor Gaza of Free Palestine. Hopelijk wekt zij hiermee de woede niet op van onze lokale moslimbroeders, want dat heeft zij onlangs zelf toegegeven: in het sociale buurthuis ’t Pamperke, waar zij tot voor kort haar middagmaal (aan maximale korting) ging nuttigen, is zij ondertussen persona non grata geworden. Daar wordt immers met geannexeerde islamzeden en ontkiemende Koran-regels gehandeld, daar geloofde men liever in Karl en is Carla nu een verdorven ongelovige. Zo rap kan dat gaan met die zogezegde symbiose in progressieve kringen tussen links en moslims, wie van sekse wil veranderen – al dan niet terecht – is plots niet welkom meer in die cafetaria waar men nogal wat volk van de moskee bedient. Dat vertelt Carla ons zeer malcontent, toen zij Karl nog vertolkte, was zij kameraad met Hassen, Ali, Mohammed & co. Sinds zij Carla werd, wordt zij door hen en hun Vlaamse sympathisanten (gatlikkers) verketterd.

De linkse kerk, die principieel de verbinding predikt, zit duidelijk met een immens intern probleem: zij wil diverse mensen verenigen… waarvan de ene soort genadeloos de andere uitsluit. En de dag komt dat Carla door hen allen wordt gedumpt. Dat zien wij heden met lede ogen aan, arme onnozele Karl toch.