Er is een categorie van mensen die oud- en uitgediend is. Ze komen nog moeilijk aan de bak, ze maken een balans op, ze wachten op een laatste kans. Maar de moed ontbreekt, of ze missen het nodige lef. Ze mikken niet hoog genoeg meer, hun geweer laat het afweten, de loop hangt slap.

Het is een fenomeen dat ik nogal eens bij mannen waarneem. Ik heb er een goed oog in, ik behoor tot hun gecultiveerde diersoort. Ik probeer het evenwel tegen te gaan. Ik ga als een halve schrijver te keer, ik ben een ganse minnaar en ik maak plannen om de pannen van het dak te dansen. Ik swing de living rond met mijn geliefde, wij volgden les in rock’n roll en we zetten de dingen op hun kop.
We hebben zin in lol. We spelen graag, we verzinnen vaak muziek op erotiek.
We knutselden een dik boek in mekaar en begonnen een blog. We flirten en we fietsen.

Dat wekt jaloezie. Want op mijn leeftijd hoor je een eminent lid van de gepensioneerden te zijn en meermaals per dag met de hond te wandelen. ’s Ochtends leest zo’n man de krant, voetbal eerst, daarna wat afwezig staren naar de straat, de staat opmaken van de dingen en de stilstand in jezelf opmerken. Je gaat dan trage rondjes draaien en je wacht op het TV-journaal om nog wat te beleven. De beelden van de buitenwereld zijn het enige wat nog in je leven blijft bougeren. Hier ga ik bewust tegen tekeer.

Dat wekt afgunst. Ik ken een krantenuitbater in de buurt die in zijn jonge jaren een kortstondig popidool was. Hij scoorde één hitnummer, een flinke Vlaamse meezinger. Daarna werd het harken en krasselen om het succes te bestendigen, lukte niet. De jongen ging af en werd dan maar man. Hij dook nog op in de mediawereld als een niet onverdienstelijk vormgever, hij verzorgde de illustratieve opsmuk van elpees en dvd’s. Net geen kunst.
Waarom hij nu als 70-plusser nog staat na te klussen met de verkoop van gazetten en het checken van de lotto weet ik ook niet. Ik gok niet graag. Maar ik had hem wel in vertrouwen genomen over mijn bijna voltijdse schrijfbedrijvigheid. En dat mijn eigen vrouw hierbij present tekende, en verfde, en schilderde. Onze creatieve en bewust niet lucratieve winkel die wij met plezier besturen en dagelijks voor verbetering trachten vatbaar te maken. Dat verklaarde ik voorzichtig aan de krantenman. Het was ooit zijn vak geweest, de letteren laten knetteren met een opgedirkte lay-out.

Hij kraakte zonder nadenken alles af, hij maakte brandhout van ons boek en blog. Zowel de inhoud als de teneur werden afgekeurd, de diverse kleuren uitgespuwd, de dubbele auteursnaam verbannen naar de vlammenhaard.

Dat wekt wrok. Dat veroorzaakt iets wat tegen haat aanzit, dat stinkt minstens naar rancune. Ik was aangeslagen. Zelfs Het Boek van Vincent, de ode aan mijn overleden zoon, werd gewraakt. Omwille van de titel, om te beginnen. Hij werd daar niet vrolijk van. Hij bleef dat maar herhalen: dat hij daar echt niet opgewekt van werd. Bijna ging ik akkoord met hem, de dood van een kind is echt geen feestje. Maar onze context verschilde.
Hij liep straal voorbij aan dat overlijden, hij had het over de opmaak, de bladschikking, de chronologie van de hoofdstukken. Niks over de plot: de dood. Ons volgend boek, de dikke kanjer over kankers, drank, een dosis humor, afgewisseld met tumoren en een schitterende liefdesgeschiedenis, liet hij onbesproken. Het was alsof hij ontzettend boos was, misschien ook omdat wij in de gazetten hadden gestaan. Had hem dat danig gestoord, zoveel jaren na zijn eigen glorieperiode? Krantenverkoper geworden uit nood? Ach, mij had hij toch al gebroken. Hij was heel even mijn laat idool geweest, ik dacht dat ik een ontdekking had gedaan, een naaste buurman die uit de catacomben van de jaren ‘70 verrezen was. Ik had hem nog hoog geprezen in het bijzijn van mijn schone geliefde, zoveel jaren jonger, ik zong haar zijn hitje voor. Hotel Paradiso heette de song. Het was mijn afgang. Niet ik klonk vals, maar de gewezen zanger die het niet nam dat ik mijn leeftijd was vergeten en doorging met presteren, op mijn manier.

Ons blog vormde het dieptepunt in de eertijdse minnestreel zijn beleving.
Hij heeft er echter geen letter van gelezen, hij verketterde mij reeds om onze co-auteursnaam. Nathan Juda begot, dan was ik toch een valse Jood. Daar bleef hij dan maar over doorrazen, in volle winkel, minstens tien klanten stonden in een rijtje achter mij. Ik moest die dag gaan gidsen, in het museum van de Holocaust te Mechelen. Ik werd er opgewacht door zo’n 20.000 dode Joden, hun foto’s tegen de muur, ik ging hen eren, voor een publiek, postuum. Met in mijn achterhoofd de haat en de hoon, omwille van een stomme naam. Stigmatisering heet dat, brandmerk, schandvlek.

Iets wat leek op een prille vriendschap, werd in de kiem gesmoord door wat misschien afgunst en jaloezie was. Wat had het anders kunnen zijn? Ik had die man niks misdaan, ik was een nieuwe klant. Ik sprak graag en zeker vriendelijk met hem. Ik stelde hem fier Nathalie voor. Waarom niet?

Toch ging het verschrikkelijk fout. Werd ik te oud bevonden door hem, om met nieuwe dingen te beginnen, om te flitsen en een frisse twist te leggen in mijn leven? Om na de dood van mijn zoon (inclusief die uitgeschreven ode, bekroond met een louterend huwelijk, plus nogmaals een boek en daarbovenop dat aparte blog) zomaar even binnen te springen met een gezonde dosis optimisme.
Ik vergiste me, moet de ex-vedette gedacht hebben. Ik moest mijn plaats kennen, braaf gaan zitten (bij de pakken), pootjes geven, in het beste geval slechts keffen op bevel. En zijn grijze gazetten lezen, mistroostig zoals hij.

Het is helaas een vast patroon geworden in ons pas getrouwde bestaan. Wij worden om de haverklap afgeblaft en ter plaatse gelaten door oude en ook nieuwe kameraden. Haast niemand van die vrienden gunt ons dat plotse huwelijk, noch die boeken of (ach toch) dat beginnende blog. Men had ons liever gezien als louter de ouders van onze kinderen, rouwend om alles wat fout ging met ons beider zonen. Wij hadden blijvend dat dubbele lijden moeten gecultiveerd hebben, onze enige verdiende identiteit, zo oordeelt blijkbaar de goegemeente.
Mooi niet dus, wij kozen bewust voor ons geluk. Tot spijt van wat de wereld ons benijdt.

Tegelijkertijd willen wij ook alle lieve mensen van harte danken die onze initiatieven wél gunstig gezind waren. Ze kwamen uit de meeste diverse hoeken, het waren aanvankelijk totale onbekenden voor ons, maar ze behoren nu zeker tot ons diep gekoesterd kijk- en lezerspubliek.
Aandoenlijk toch die appreciatie en de mooie commentaren die ons bereikten. Onze wereld is dankzij hen stukken warmer en gezelliger geworden. Dat is tevens het opzet van onze kunstjes. Wij schrijven en tekenen om te verenigen en te verbinden, te genezen en te helen.  Merci aan deze nieuwe sympathiserende kennissen- en vriendenkring. Bedankt voor dit feest!

 

Een reactie op “18 december – Afgunstcultus”

Reacties zijn gesloten.