Ik heb in de jaren ’60 in Becquevoort het gezin Friederiks gekend over wie op het eerste gezicht volstrekt niets te vertellen viel.
Het bestond uit een klassiek en traditioneel ouderpaar met zes kinderen, de vader was een eenvoudige bouwvakker, de moeder een simpele huisvrouw, ze hadden vier doodbrave zonen en twee doordeweekse dochters, ze waren alle acht volstrekt gelijk aan mekaar in hun onopvallendheid. Daarom schrijf ik over hen, deze mensen waren zo bescheiden dat het voor mij volkse helden waren. Ze waren bovendien familie van mij, het gaat over nonkel Marcel en tante Malvine, over de jongens Valère, Norbert (Bertje), Hilaire en Robert, over de meisjes Annemieke en Rozemieke. Soms mocht ik voor een paar dagen op vakantie gaan bij hen, veel viel er dan niet te beleven, maar achteraf intrigeerde mij wel de strakke grijsheid van hun bestaan. Ze leken tevreden met zo weinig, niemand van hen droomde ervan om het ver te schoppen in het leven. Het waren erg contente mensen, hun pover bestaan bestond uit volgende hoogtepunten: naar de mis gaan op zondag, de wastobbe in op zaterdag, bidden voor het eten en bij het slapengaan, opstappen in elke processie van de kerk, naar het schietkot en de botsauto’s bij de jaarlijkse kermis, slagen in de examens op de vakschool en een dikke puntzak friet als ze verjaarden. Voor de rest waren ze in mijn ogen sober en zonder enige fantasie of franje, maar op zulke manier dat het mijn belangstelling had. Soms benijdde ik hen, hun bestaan kende een rustig verloop, ze leefden in de luwte, windstil. Ze kenden precies niet die interne turbulentie waar ik als jongetje en zeker als prille puber haast aan ten onder ging. In hun gezin waren de kinderen verwekt geweest zonder seksbeleving. Dat was mijn hypothese als jonge erotische leek.

Nonkel Marcel vond ik wel fascinerend in zijn volstrekte hoedanigheid van arme boerenzoon die het (geslaagd onderdanig) tot perfecte knecht in de bouwsector had gebracht. Als kind op vakantie bij het gezin Friederiks raakte ik niet uitgekeken op mijn nonkel als hij ’s avonds aan het hoofd van de keukentafel zat tijdens de warme familiemaaltijd: steeds met opgestroopte hemdsmouwen waardoor zijn zwaar behaarde armen (als kabels zo dik) indrukwekkend zichtbaar waren, hij at traag en stil, met een dikke pint Aarschots bruin bier voor zich en op alles smeerde hij kwakken mosterd (tot zelfs een lepel in de soep toe). Ik denk dat het zijn ongeschreven wet was dat er niet mocht gepraat worden tijdens het eten, ik was zeker de grootste zwijger, totaal geïmponeerd door dit haast surrealistisch tafereel van een grote arbeiderskroost die op een volks-rituele manier hun voedsel tot zich nam: met voorzichtige slurpjes en smakjes, de borden leegschrapend tot het laatste restje en daarna werd het bestek nog zorgvuldig afgelikt, zodat de afwas me overbodig leek. Als nonkel zijn eten met een forse boer had afgesloten, was dat het teken dat we de tafel mochten verlaten. Zelf toog hij dan meteen aan het werk, daarvan kan ik me enkel deze scène herinneren: hij plooide precies voor zijn plezier ijzeren staven in twee, dat deed hij louter op kracht van zijn gigantische armen, zijn forsballen blonken van gezondheid, het ijzer was als was in zijn handen. Wat was ik fier op mijn nonkel, wij hadden een John Massis in onze eigen familie, maar hij kon zoveel beter zwijgen dan het (in die tijd) overbekende orakel uit de media, mijn nonk was een oermens die nog geen woorden kende, enkel zijn natuurkrachten spraken. Maar de man is niet oud geworden, hij vertrok stillekes rond zijn 65-ste, hij had genoeg gezien van deze wereld. De kleine en ook de grote miserie die zeker zijn deel waren geweest vergat hij sereen op zijn sterfbed. Ik zag u toch zo graag Malvine, mompelde hij nog (volgens mijn tante), dat was een heel gesprek voor hem, maar het was wel de essentie van zijn leven geweest.

Tante Malvine had doorgaans ook niet veel te zeggen, maar ze sprak wel meer, ze was aanvankelijk zowat de woordvoerder van haar groot gezin vol goedmoedige zwijgers. Het onderwerp waar ze gans haar leven wel verbeten heeft over gezwegen, was de dood van haar zoontje Norbert op 7-jarige leeftijd. Ons Bertje was een leeftijdsgenoot van mij, het was alsof ik nog maar pas met hem in de zandbak had gespeeld en opeens was hij weg, zonder nog iets te zeggen tegen mij. Ik zag hem terug op zijn doodsbed, hij was nog stiller geworden dan hij bij leven al was (wat vaak ook raakte aan doodstil). Tante weende niet, en nonkel nog minder, ze waren gewoon als versteend. De rest van haar lange bestaan zat tante met een weke brok in haar keel en een blok beton in haar hart. Ze was al in de negentig toen ze haar tweede zoon verloor: Valère werd weliswaar 70 jaar, tien maal zo oud als Bertje, maar “uw kind blijft uw kind”, prevelde ze lijdzaam tegen ons. Tante Malvine is nu bijna 100 jaar, ze is zelf kinds geworden. Naar haar gevoelens hebben we nog altijd het raden, zoals dat vroeger ook al het geval was.
Ze is onveranderd zichzelf gebleven, een gans leven besteed aan inkeer, het interne gesprek.

Valère was wat wij bij ons een binnenvetter noemen en soms ook een hettenfretter, dat wil zeggen: iemand die alles opkropt, zich nooit over iemand of iets uitspreekt en nogal eens malcontent lijkt. Hij had een eenmanszaak als elektrieker, zwijgzaam trok hij de leidingen, in zijn donker hart de pijn van het zijn verbijtend. Wat hem diep in zijn binnenste bezielde, konden wij niet aan de weet komen, zijn permanente tolk was zijn lieve echtgenote, zij praatte voor twee (of meer). Valère is gestorven zoals hij geleefd had:
in de meest verborgen schemer van dit ondermaanse, hij was een mysterie dat wij hadden leren respecteren. In de dood vond hij zijn zo verhoopte vrede. Respect voor zijn levenswijze als eeuwige zwijger.

Annemie was een schat van een meisje, ze lachte veel, meestal wat verlegen, maar ze bleef steeds minzaam. Ik kan haast niets vertellen over haar. Ze speelde reeds als kind de lachende verstilling, ze leefde later met haar haar gezin geborgen en (zo te zien) zinvol, de zorgen hield ze voor zich. Ze bezoekt heden nog elke dag haar bejaarde moeder, misschien heeft ze het met haar over Bertje en Valère, de twee overleden broers. Ze vormen een tableau vivant van twee volkse vrouwen die te samen rouwen – ook de man van Annemie ging reeds heen – hun voltooide wereld is nog rimpelozer geworden, de buitenwereld sluiten ze rustig maar bewust uit. Niemand zag ooit de tranen van hun simpel en stil bestaan.

Bertje (Norbert) was altijd mijn speelkameraadje geweest, dat wil zeggen: hij hield zich strikt alleen bezig, totaal in zichzelf gekeerd, terwijl ik naast hem zat, te wachten tot ik wat aandacht kreeg, maar dat lag niet direct in zijn aard. Bertje kon uren aan een stuk rondjes op de koer draaien met zijn fietsje, in het beste geval mocht ik hem duwen, maar evengoed negeerde hij me. Daar zat geen kwade bedoeling achter, hij had gewoon geen tijd te verliezen, hij moest in zijn ingekorte tijdsbestek zoveel meer kilometers maken dan ik. Bertje werd ziek op zijn 6de, hij leefde opeens op pikuren en pillekes, van de dokter mocht hij zelfs geen snoepje meer eten: die kreeg ik dan van Bertje, dat wel. Ik ben hem nog goeiendag gaan zeggen op zijn sterfbed, aan de hand van mijn vader – zo plots kon je doodgaan als jongen, dacht ik aangeslagen – ik mocht nog aan zijn voorhoofd voelen, daar  ging een ijselijke koude van uit die nu nog in mijn lijf zit.

Hilaire was de spraakwaterval van de familie, dat viel erg op, hij kon minstens tien zinnen na mekaar uitspreken, klaar en duidelijk, spontaan en hartelijk, maar al bij al bleef het toch een afgemeten communicatie. Geen kwaad woord over Hilaire, hij timmerde onbekommerd aan de weg van zijn leven: hij was gedurende 45 jaar schrijnwerker bij hetzelfde bedrijf, hij klopte en hij zaagde, zonder morren of klagen, zijn werkbank bij de firma was de uitverkoren plaats in zijn bestaan. Als hij thuiskwam bij vrouw en kinderen kroop hij meteen in die andere rol: die van trouwe man en voortreffelijke vader, dat was zijn constante staat van dienst, een ouwere jongen zonder enige ophef in zijn persoonlijke geschiedenis. Zo vlekkeloos onbesproken en zo correct dat het aan de perfectie grensde.

Robert werd halvelings genoemd naar zijn overleden broertje Norbert (Bertje) dat hij zelf niet gekend had. Hij vroeg er ook nooit naar, zoals hij eigenlijk naar niks vragen stelde, hij nam het leven zoals het kwam, hij spaarde zijn schaarse taalarsenaal op voor zijn innerlijke betogen, binnensmondse monologen zonder grote woordenschat. Daarom kan ik hier kort zijn: ik wist niet wat ik aan die jongen had, als ik hem tegenkwam dan leek hij verlegen en zweeg hij voor de rest. Ik denk dat het leven hem te zwaar viel, daarom nam hij er slechts op ongesproken wijze aan deel. Om die reden laat ik hem hier verder ook… onbesproken, uit respect voor zijn inwendige gevechten. Sterkte Robert.

Rozemie was het lachebekje van de familie, ze was altijd blij en vrolijk, zonder dat ze daar de juiste woorden voor kon vinden. Dus zal ik hier ook geen moeite doen, ik kan haar karakter onmogelijk uitklaren, ik hoorde haar te weinig praten. Ik wil niet zomaar een uitleg verzinnen met gokjes en gissingen, maar toch het volgende: Rozemie was een brokje gulle en dolle vreugde dat door het leven danste, met alle geneugtes, maar zonder veel verbale tekens te geven. Ze was het meest specifieke uithangbord van een gewone familie die doodgerust hun bestaan met al zijn laagte- en hoogtepunten leefde zonder daar veel spel over te maken.

Zo is voor mij hier ook het geschikte moment gekomen om mijn vertelling te stoppen, een kort verhaal van simpele mensen, hun soberheid was zoveel groter dan hun wensen. Ze zullen één voor één in volstrekte stilte sterven, dat weet ik (als familielid) zeker: het is hun laatste wil. Zo geschiedde, dik verdiend.