Midden jaren ’80 stond ik als beginnende loper aan de startlijn van de “Internationale Jogging Klassieker” van Kessel-lo (een deelgemeente van Leuven). Omdat het een thuiswedstrijd betrof, was ik behoorlijk nerveus. Er hadden zich immers een paar duizend sportievelingen aangeboden, het was een zenuwachtig gedrum aan het vertrekpunt, de adrenaline spoot dus van bij aanvang uit mijn oren. Bovendien waren mijn vrouw en zoontje (nog een kleuter) aanwezig om mij aan te moedigen, ik kon niet anders dan mijn uiterste best doen. Wegens het geduw en gewriemel net voor het startschot had ik wat steun gezocht tegen een lange paal, pal in mijn buurt. Ik leunde zijwaarts en voelde hoe dat uiterst dunne en hoog opgeschoten object meegaf, en dan rustig terugveerde om niet in twee te breken. Raar was dat, tot mijn frank viel, van de nervositeit had ik eigenlijk niet gezien dat het om een mens ging, die ook verkleed was als loper, maar hij leek eerder op een uitgerekte toren, zo ongeveer 1m90 groot en hoogstens 60kg van lichtgewichtigheid. Pardon meneer, stamelde ik, en zag dan meteen dat het om een bekend gezicht ging, zijn pluizig sikkenbaardje was uniek in Vlaanderen, ik herkende… Ivan Sonck, sportreporter bij de televisie. Hij had echter oog noch oor voor mij, hij babbelde zonder ophouden in het Engels tegen een stevige stronk naast hem, een brok natuur die precies ter plekke uit de stam van een boom was opgetrokken, met potige wortels en takken, en nog wat warrige bladeren op zijn kale dak, dat bleek bij nader inzien ook een menselijk wezen te zijn.
Vergeef mij hier de mogelijke spot en infantiele ironie, beste lezers en sportliefhebbers, ik zal nu direct bekennen welke bok ik zelf had geschoten:
het pure natuurverschijnsel dat ik waarnam naast Ivan Sonck was niemand minder dan Emil Zatopek, de Tjecho-Slowaakse looplocomotief die ooit drie gouden medailles veroverde op één Olympisch tornooi en houder was geweest van bijna 20 wereldrecords. Sonck was erin geslaagd om via zijn Europese TV-relaties Zatopek naar België te halen.
De brave man met het knoestige uiterlijk van een ongeschoolde arbeider was nog kolonel geweest in het leger van zijn land en daarna afgedankt om als gewone bouwvakker verder de kost te moeten verdienen, zo “verliep” dat immers in communistische regimes, van de ene dag op de andere kon je er in ongenade vallen, maar als “beloning” mocht je onder je niveau verder leven.
Zo verging het Zatopek, van nationale held tot simpele jogger in België.
Niettemin was Emil Zatopek een wereldvedette gebleven, met een palmares als lange afstandsloper dat zelfs tot op heden niet werd geëvenaard. Ik vertel hier eigenlijk niks nieuws, behalve toch één feit dat al die jaren onopgemerkt is gebleven door zowel de nationale als de internationale sportpers, het ontsnapte zelfs aan de spiedende blikken van Ivan Sonck, wiens persoonlijke archieven tot op de dag van vandaag uitpuilen van de meest diverse atletiekuitslagen: die illustere dag in Kessel-lo werd de mondiaal vermaarde Emil Zatopek daar kansloos geklopt door een nobele onbekende, en dat was… ondergetekende. Ik had van bij de start gewoon mijn wagonnetje aan de locomotief van Emil gekoppeld, terwijl ik Sonck met het betere ellebogenwerk een ganse wedstrijd naar de kant had gepord, uit het zog van Zatopek. Zo slaagde ik in die onmogelijk geachte opdracht, ik klopte een meervoudige Olympische medaillewinnaar in een fel bevochten millimetersprint aan de meet. Emil zeeg neer van uitputting, en Sonck had ik al eerder per ongeluk tegen de grond kunnen werken, een makkie want hij liep met zijn 1m90 nogal wankel en er stond bovendien flink wat wind.
Betweters en kniesoren zullen nu zeggen, ja maar jong, den Emil was toen al een gevorderde… 60-plusser, terwijl gij hoogstens 30 jaar waart. Dat klopt gasten, maar niks menselijks is mij vreemd. En oké, ik heb hier even de trukendoos opengedaan om mijn amateuristische lopersblazoen wat op te poetsen, een kwestie van zwak ego, maar geef toe: ik heb de uitslag niet moeten vervalsen om vóór Zatopek te eindigen, just is just.
Een minstens even straffe kerel als Zatopek uit Tjecho-Slowakije was Marcel uit Heverlee. Hij werd 30 jaar vóór Emil geboren – in 1892 – als jongste zoon van een arme boerenfamilie – met 17 (zeventien) kinderen! – hij behoorde zodoende maatschappelijk tot de allerlaagtse stand. Marcel werkte van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat op het land, zes dagen op de zeven, op zondag sliep hij eens goed uit tot 8 uur, waste zich daarna grondig in de tobbe buiten op de koer en deed dan zijn beste kleren aan voor de hoogmis van 10 uur. Vervolgens ging hij
naar zijn stamcafé “Onder den Toren” in het dorp en dronk daar dan minstens 20 pinten. Tijdens zo’n uitbundig en mateloos drinkgelag ging hij met zijn zatte kloten eens een weddingschap aan: hij beweerde dat hij zonder te stoppen tot aan een café in Bierbeek kon lopen, zo’n 5 km verder, de inzet was een bak bier, te betalen door hem of door zijn drankmaten, al naar gelang het welslagen van de onderneming. Marcel dronk nog drie pinten extra en begon eraan.
Hij kwam weliswaar half dood aan, maar de gratis bak was binnen. Die heeft hij dan voor de helft (12 flesjes) nog zelf leeggedronken. Van het een kwam het ander, een volgende zatte weddingschap: aan één stuk door lopen tot in Boutersem, dat is al halverwege tussen Leuven en Tienen, deze keer voor een gratis vat. De zondag daarop klaarde Marcel de klus, hij had voor dit exploot al flink wat supporters op de been kunnen brengen, die wilden allemaal voorniet komen meedrinken. Niet te vergeten: het was omstreeks… 1910, zomaar “lopen” was een zo goed als onbekende sporttak, dat was een bezigheid voor mensen die zich verveelden, voor een kleine elite die niet moest werken voor de kost, arbeiders en boeren keken neer op zulke nietsnutten.
Maar toch, onze Marcel wekte wel belangstelling, eerder als stuntman dan als lange afstandsloper. Hij was een soort circusartiest die veel volk op de been bracht, Marcel zorgde voor een kermisattractie met het nodige zuipplezier achteraf.
Zijn strafste stoot werd uiteindelijk de volledige afstand tussen Leuven en Tienen al lopend af te leggen, uiteraard op zijn gewoon zondags schoeisel, met zijn beste lange broek aan en een klak op de kop. De beloning bestond deze keer uit een ganse avond gratis drinken, onafhankelijk van het aantal vaten of klanten. En voilà, Marcel die versaagde niet, hij slaagde!
Die keer heeft zich achteraf wel compleet lazarus gedronken, men heeft hem met de
kruiwagen terug naar Leuven moeten voeren.
Hij was nog net op tijd thuis, het veldwerk op de boerderij – het was hoogzomer – begon om half 5.
Zijn vader en broers stonden al klaar met hun riek, Marcel pikte meteen aan, met een houten kop en lamme benen, niemand in de familie had belangstelling voor zijn toch wel straf exploot: hij had welgeteld 17 loopkilometers afgelegd op net geen 1 uur tijd, een onvoorstelbare prestatie voor iemand die nooit trainde (tijdverspilling volgens zijn pa) en zelfs niet over aangepaste sportkleren beschikte, enkel zijn zondagse drankpak.
Ik las bovenstaand straf verhaal in een Leuvense kroniek die ik aantrof bij de heemkundige uitgaven in onze stadsbibliotheek.
Ik werd er zowaar stil van, een simpele boerenknecht die op zijn (wellicht zware) werkschoenen zomaar 17 km aflegt in (afgerond) 60 minuten, dat betekent gemiddeld ruim onder de 4 minuten per kilometer. Ter vergelijking, meer dan 70 jaar later liep ik eens een uurloop op de piste, uiteraard stevig getraind en op professionele spikes (vederlichte loopschoenen met pinnekes voor de beste grip op de ondergrond). Ik werd, volledig tegen de uitputting aan, afgeklokt op een reglementair gemeten afstand van… 16,5 km. Reken uit je verlies, beken ik nu aan mezelf. Ik was bij manier van spreken ruimschoots geklopt door een streekgenoot van meer dan een halve eeuw tevoren, een boerenpummel die net niet op zijn klompen liep en enkel maar oefende aan de toog. Tja, we zullen maar bescheiden blijven zeker, ook al had ik zogezegd de gewezen olympisch kampioen (x 3) Emil Zatopek (als 65-plusser) geklopt, dat was eerder voor de folklore in de volkse loopsport geweest. Ik haalde het slechts aan als onnozel grapje, maar wat Marcel rond 1910 presteerde, dat was grandioos. Zulke mensen bestaan heden niet meer. Hij behoorde tot dat oerras van onverwoestbare boeren, waar ook Zatopek – gezien zijn sobere komaf – verwant aan was. Nu lijkt lopen soms een luxe-tijdverdrijf. Er wordt steeds meer relax – in gesprek met de smartphone – voortgesjokt dan zelfs maar geconcentreerd en gedreven gejogd. Toen was het nog eerlijk zwoegen. Zodoende mijn groot respect voor de pioniers van deze sport, gaande (nee lopende) van de totaal onbekende boerenknecht Marcel tot een (door de sovjet-communisten gesloopt) monument als de locomotiefloper Emil.
