Ik zag hoe een totaal verhakkelde man werd binnengeleid in erg kale kamer, hij strompelde en zijn handen zochten naar steun, die er niet was, zijn gezicht zat onder het bloed en was haast tot moes geslagen, twee beulen liepen langs weerskanten naast hem en stopten niet met op hem te kloppen en te stampen. Ik moest toezien bij dit tafereel terwijl ik totaal machteloos was, nochtans herkende ik die man, het was Raymond VC, mijn (achter)naamgenoot die een medeleerling van mij was geweest in het laatste jaar van de humaniora. Het was me meer dan duidelijk dat men hier de verkeerde persoon had opgepakt en gefolterd, de executie ging dadelijk volgen. Ik kon – als door een godswonder – zien dat Raymond eveneens wist dat hij… mijn schuld moest opnemen, maar hij verraadde me niet, wat een diepmenselijke daad van zelfopoffering om mij te redden, nadat we mekaar al meer dan 50 jaar uit het oog waren verloren. Ik voelde een beklemmende angst waarvan ik misselijk werd, ik kreeg plotse braakneigingen, ik dreigde het bewustzijn te verliezen, ik ging de terechtstelling van mijn dappere maat missen. Kon ik me toch nog zelf aangeven, was ik op dit meest prangende en zelfs ultieme moment een lafaard of een held? Ik heb het antwoord niet meer vernomen, de diepste graad van zelfkennis ontsnapte mij in het duister van de nacht, ik werd badend in het zweet… wakker, in bed naast mijn warme geliefde, die met haar hand over mijn voorhoofd streek en mij trachtte te kalmeren, na deze helse nachtmerrie die zoveel meer vragen had opgeroepen over mezelf dan dat ze een verklaring had gegeven aangaande mijn inwendige menszijn.
Raymond VC was een schoolkameraad geweest die zich om een onverklaarbare reden meer dan normaal aan mij gehecht had, op sommige momenten leek het mij alsof hij me “claimde”, een hoogst oncomfortabel gevoel, hoe stevig de vriendschap ook was, waarin zijn aandeel toch wel het mijne ver overtrof. Was hier sprake van een onderliggende homoseksuele aantrekkingskracht van de ene jongen naar de andere? Alhoewel: Raymond was de enige in onze klas die sinds zijn 16de al een vast lief had, terwijl ik zelf toen ook al een meisjeszot was. Raymond was niettemin erg met me begaan, hij wou me zelfs… de zee opsturen, achter zijn oudere broer Theo aan, die studeerde voor kapitein bij de koopvaardij. Dat was een hogere zeeman in wording, een schipper die de wereldzeeën en de oceanen in de lange omvaart ging bedwingen. Op de stages die Theo reeds gedaan (gevaren) had, “besliep” hij volgens Raymond in elke haven een ander lief, schoon en 
sexy gerief van alle rassen en standen, de ene al heter dan de andere (zo warmde mijn maatje me op). Theo hield er een intiem logboek van bij en hij stond pas aan het begin van zijn carrière, tja, dat liet me wel niet onverschillig. Maar bij nader inzien was dat toch niks voor mij: ik zou enkel kunnen slagen in de praktijktesten seksualiteit – een keuzevak – en zakken op de rest: zeefysica, viswetenschappen, wis- en sterrenkunde en hoe heette al die exacte kennis daar die een intellectuele zeeman in de pocket moest hebben. Dus op dat vlak heb ik Raymond nogal ontgoocheld, ik heb het later proberen goed te maken door helemaal in te zetten op dat keuzevak, maar ik hield mijn erotische deiningen voor op het vasteland, wat vaak ook wel het gevoel gaf dat ik op hoge golven werd meegenomen: van genot.
Toen ik in de zesde Latijnse zat (nu heet dat het eerste jaar), zagen wij in schoolverband het toneelstuk Schipper naast God, opgevoerd door leerlingen van de retorica (het laatste jaar van de Latijnse richting). De hoofdrol werd gespeeld door de knappe, flamboyante en sexy-slimme Paul PS, een 17-jarige adonis uit het stadje Zichem. De belangrijkste medespeler (en eigenlijk de protagonist, de tegenpool van Paul) was Theo VC, die uiteraard de rol van schipper op zich mocht nemen. Ik was als 13-jarige compleet overrompeld en zelfs verpletterd geweest door dit schoolse schouwspel, hier zag ik twee gasten aan het werk die als het ware theatraal het leven stonden uit te beelden dat ik later voor mezelf wenste. Neen, ik wou geen god(je) worden zoals Paul en zeker geen zeeman zoals Theo, maar het was de panache en de zelfzekerheid van die twee jonge kerels waardoor ik bekoord werd, waarvan ik nuchter dronken was geworden. Dat waren jongens die wisten wat ze wilden, die speelden daar op de planken reeds de rol van hun leven, dat de facto nog moest beginnen, ze vulden proactief al hun volwassen bestaan in, en alles lukte bij die twee wonderlijke jongemannen, dat was daar een strijd op de planken tussen een paar titanen voor wie de realiteit dra moest wijken, die gingen zelf hun wereld vervolmaken, hetgeen haaks op mijn aangeboren en krampachtig verankerde schuchterheid stond. Want daar ging het in essentie bij mij om: hoe ga ik zelf die klus kunnen klaren om de kapitein van mijn eigen leven te worden, moest ik een soort goddelijkheid aanleren zoals Paul (die later gewoon dokter werd) of Theo navolgen in zijn schitterend geacteerd schipperschap opdat mijn bootje niet zou zinken, om te genezen van een ziekelijke verlegenheid, hoe ging ik mezelf redden doorheen dit aardse geweld? Ik zag twee 17-jarige (weliswaar hoogbegaafde) schoolacteurs die mij de weg wezen, een jongenskind van 13 pikte en slokte die prikkelende les op, voor de ontwikkeling en vervolmaking van zijn nog krakkemikkige persoonlijkheid.
In mijn volwassen leven heb ik niet te veel keren een beroep gedaan op externe krachten om mijn weg te vinden, zeker niet op dokters – en hun trawanten zoals psychologen of psychiaters – en nog minder op goden of andere zotte goeroes om mijn weg te vinden op de woelige en vaak zwoele baren van dit bestaan. Ik heb wel moeten schipperen om vaste grond onder mijn voeten te krijgen, maar dat deed ik dan wel zelf, met veel vallen, maar meer nog met opstaan. Tijdens die gevechten met mezelf dacht ik soms wel eens terug aan die hoogst dubbelzinnige en deels hilarische woorden van Karel PS, de jongste broer van Paul PS en mijn maatje ten tijde van het theaterstuk Schipper naast God. Karel citeerde zijn oudere broer die het volgende zou gezegd hebben toen hij als halfvolwassen laatstejaars ons braaf in de rij zag staan voor onze klas in de 6de Latijnse: wie is die zonnekop die daar tussen jullie schijnt, dat jongetje met zijn felle haarstraling? Zo zou het haast letterlijk geklonken hebben, dat was uiteraard met de nodige spot, maar er klonk toch ook wat verrassing en verwondering in door, althans zo vertaalde ik het voor mezelf. Ik wist perfect dat hij met een vrijpostige maar ook schalkse knipoog een allusie had gemaakt op mijn toen nog vonkend rossig haar.
Ik voelde me tegelijk licht beledigd en niettemin voorzichtig vereerd. Dat was de orakelende Paul PS die daar gesproken had, zijn zonnenoordeel over mij gedeclareerd had. Luttele maanden later onderbrak hij zijn studies geneeskunde om in Parijs op de barricades te gaan staan tijdens de studentenprotesten van mei ’68, terwijl zijn kameraad Theo reeds rechtstreeks van het college naar de gewillige armen (en open benen) van de ene hitsige deerne na de anders was gevaren. Die jongens waren ongewild de eerste wegbereiders voor mij geweest, hun voorbeelden waren maar half en half zedelijk, maar ik had behoefte gehad aan sterke en stoere rolmodellen. De moraal lapte ik aan mijn laars, ik moest uit mijn schuwe schelp kunnen geraken, de belemmerende schillen van mijn angstige persoonlijkheid afpellen,
om ten slotte de grote liefdespiek te ontdekken. Dat is me gelukt, ik werd zowel schipper als god. Mijn bemanning is echt uniek, enkel een… vrouw, en als gelovige (in haar) zweer ik eeuwige trouw, het betreft dus mijn geliefde en beminde Nathaliefje.
Zat er misschien een diepere betekenis achter die waanzinnig nare droom over mijn gewezen schoolkameraad Raymond VC? Deze nachtmerrie vond plaats tijdens het Paasweekend 2025, feest van de verrijzenis van Christus. De onschuldig lijdende Jezus was in gruwelijke omstandigheden gestorven om de mensheid te redden, althans volgens de kerkelijke legende. De christelijke doordenker zou dan kunnen zijn dat Raymond zijn leven had gegeven voor mijn heil, zijn maatje dat hij indertijd (tja)… aanbad. Want met mij is alles uiteindelijk wonderwel goed gekomen.
Ik leg hier een haast religieus-mystieke veronderstelling voor, in se geloof ik daar helemaal niet in, maar ik wil het wel aanhalen voor de lezers die gods-geloviger zijn dan ik. Ook vind ik dat er in tijden van totale verdringing van onze Westerse geloofscultuur openingen moeten gemaakt worden naar mogelijks hogere “bedoelingen” van geestelijk ongekende krachten die vanuit ons onderbewustzijn ageren en ons bewuste leven meer sturen dan we (durven) denken. Zeg dat ik het geschreven heb, in mijn goddeloos evangelie hier. Met retroactieve dank aan Karel PS voor zijn straf citaat uit de late jaren ’60 dat mij wakker maakte.
Het puberkind stond plots verwonderd op en ging aan de slag. De bekroning volgde bijna vijftig jaar later, maar tijd is een relatief begrip, de liefde niet.

