Soms denk ik dat ik de domste van de klas ben en dat ik niks van de wereld snap. Mensen lijken zo vaak pasklare meningen te hebben en die in het ijle te verdedigen – op een manier die volgens mijn kleine brein nergens op lijkt – maar die zij met een gedachtenloze evidentie, rakend aan luchtledigheid, ongegeneerd uitspreken. Ik kan dan enkel concluderen: dit grenst toch aan pure onverschilligheid tegenover de zaken van het… geweten. Dat waren twee keer op rij bijna mijn trieste bedenkingen na een korte conversatie met twee gewezen collega’s, beiden ex-commissarissen van de Federale Politie en voordien allebei adjudant bij de Rijkswacht. Jef had jarenlang als toprechercheur gewerkt bij de Brusselse BOB (bewakings- en opsporingsbrigade).  Leo was een oudgediende van een gespecialiseerd interventieteam bij de Rijkswacht, nadien bekleedde hij verscheidene directiefuncties.

Over Leo kan ik eigenlijk kort zijn, we hadden twee jaar samen gezeten in de opleiding, maar hij herkende mij (onlangs) totaal niet meer, noch mijn gezicht noch mij naam zeiden hem iets. Op zich was dat niet erg, het kan zijn dat ik in zijn beleving een betekenisloze mede-rekruut was geweest. Ik had indertijd ook niet de ambitie om haantje de voorste te spelen in dat paramilitaire macho-milieu. Ik denk, in alle bescheidenheid, dat ik van een iets meer intellectuele inslag was. Daarom hield ik me daar uit lijfsbehoud vooral gedeisd, je werd er immers niet verondersteld om na te denken. Dat model paste echter perfect voor Leo, reeds toen een ijskoude kikker.

Leo was vanaf midden jaren ’70 lid geweest van de Groep Diane, dat waren zowat de para-commando’s van de Gendarmerie.
Het waren de harde jongens die de zwaarste opdrachten kregen en soms rechtstreeks de strijd moesten aangaan met de gangsters van de Belgische maffia. Mijn respect voor die mannen, het waren allen topschutters en zwarte gordels in de gevechtsporten. Ze kropen op hoge daken en beklommen steile rotsen. Bij nacht en ontij rukten zij er op uit en durfden zij soms hun eigen leven riskeren om in aartsgevaarlijke situaties de heikelste klussen te klaren. Maar tegenover ons, de gewone “soldaten van de politie”, waanden zij zich superieur. Een gast zoals Leo beschouwde ons helemaal niet als collega’s. Zo gedroeg hij zich ook in de opleiding tot gegradueerde. Zelfs de instructeurs bejegende hij met een zekere minachting. En die… tolereerden dat, want de status van iemand van “den Diane” was sacraal.

Ik heb me steeds afgevraagd volgens welke psycho-sociale criteria zulke mensen als Leo ooit geselecteerd waren. Want al wat mij “menselijk” voorkwam, leek intrinsiek vreemd aan zo’n man. Ik zal nooit vergeten hoe hij tijdens drill-oefeningen op de koer van de kazerne zijn mede-leerlingen mocht bevelen: dat was roepen, brullen en tieren, met inbegrip van kwetsen en vernederen. Ik weet zeker: die kerel had daar immens plezier van. In zijn gedrag ontwaarde ik het zwart-wit patroon van likken naar boven en trappen naar beneden. Niettemin was hij een populaire jongen, want het leek wel alsof de rekrutering bij de Rijkswacht daarop gebaseerd was: jongens aantrekken die onderdanig zijn ten aanzien van al wie de baas is, maar meedogenloos worden tegenover elke mogelijke zwakkere, bijvoorbeeld de burgerbevolking. Dat lijkt me het psychologisch mechaniekje van elke politiestaat, want democratie zat niet in het DNA van de Rijkswacht. Het was eerder een staat in de staat. Dit was echt het ideale speelveld voor types zoals Leo. Ik heb de wilde verhalen over die groep Diane altijd geloofd: hoe ze op de terugkeer van een oefening te velde vanuit de laadbak van hun camionette hun revolvers en geweren in het wilde weg leegschoten. Het is ook vanuit hun magazijnen dat de wapens werden “geroofd” die later werden gebruikt bij de overvallen van de Bende van Nijvel. Sommigen waren om de meest obscure reden zelfs actief lid van extreem-rechtse groeperingen. Ik heb dat interventieteam, ondanks hun onmiskenbaar grote verdiensten in de strijd tegen het banditisme, steeds beschouwd als een broeihaard van een opstap naar de support van dictatoriale groeperingen in ons land. Dat kaderde in de bewuste ruk naar extreemrechts, want vanuit de aanzwellende linkse segmenten in de samenleving kwamen de Russen naderbij. Was de Bende van Nijvel een politiek-militant instrument?

Dat zou ik begot niet weten, repliceert mijn ex-collega Jef. Ik herinner er hem aan dat er onder zijn manschappen fanatieke para-militairen waren die zelfs op oefenkamp gingen in de Ardennen en verder nog tot in Spanje. Dat weet ik zelf uit de beste bron, maar Jef repliceert: ja maar, ik moeide me niet met hun privé leven. Ik vraag evenwel door en leg hem het volgende voor: tot uw ploeg behoorden de speurders Bouhouche en Beyer, ze stapten later over naar de rangen van het Belgische gangstermilieu en kwamen nadien allebei in de gevangenis terecht. Oké, bekent Jef, maar onder mijn gezag waren ze excellente medewerkers.
Jef kan mij zelfs geen begin van uitleg geven omtrent de totale ontaarding van (initieel) voortreffelijk personeel van de Rijkswacht dat blijkbaar op criminele zijpaden terechtkwam en plots van professionele jagers tot ordinaire stropers werden. Ik besluit nog met: op uw grote baas is er geschoten geweest voor dood en uw eigen dienstvoertuig ontplofte voor de kazerne. Wat was daar dan de reden van? Met een zucht zegt Jef: ik kan daar niet op antwoorden jong, ik stak dat allemaal niet zo in mijne kop, tja, als ge u daar allemaal gaat mee bezighouden, pff.

Maar zo een zot ben ik dan wel, ik ben daar in mijn misschien niet zo slimme hoofd nog steeds mee bezig: hoe ver ging die betrokkenheid van sommigen onder onze collega’s bij het misdadige opzet van de Bende van Nijvel? Nooit mogen we vergeten dat er 28 onschuldige doden zijn gevallen, meestal gewone burgers die hun boodschappen gingen doen. Vanuit de koffer van een wagen vond er telkens een wilde schietpartij plaats, uitgevoerd door killers die hiervoor militaristisch getraind leken. Hun buit aan geld was te verwaarlozen. Het ging blijkbaar om het zaaien van paniek door het inzetten van de meest waanzinnige terreur, het wapenmerk van dictaturen. Waren de wrede executeurs soms daders met een uiterst laag empathisch en socio-psychologisch profiel, die er op kickten om te trappen (moorden) naar beneden en te likken (gehoorzamen) naar boven?

Wie waren dan de mensen van hogerhand die zogezegd het bevel hadden gegeven voor dit niets ontziend geweld en kwam het order uit het binnen- of buitenland? Ik denk dat zelfs de schutters van de dood dit niet geweten hebben, zij voerden gewoon maar uit, goed beseffend dat ze ingedekt waren. Ze moordden voor een zak geld of voor de kick of voor de twee tegelijk. Het was een spel waarvan ze volgens mij genoten hebben. Bedenk, de meest sadistische bewakers in de concentratiekampen van WOII waren zelf geen nazi’s. Ze bestonden uit hun bereidwillige slaven die zich gretig aanboden om dit vuile werk te mogen doen, omdat het strookte met hun totaal gebrek aan elke menselijke geaardheid. Nog straffer, Hitler heeft nooit het expliciete bevel moeten geven voor de Holocaust. Zijn slippendragers (van hoog tot laag) traden hun Führer tegemoet en deden het gros van hun werk zonder zijn instemming, maar des te meer applaus kregen ze van Adolf. Was dat misschien het denk- en werkpatroon van de Bende van Nijvel: ontaarde politionele semi-militairen die zich een heftig verzetje wilden gunnen en zich perfect ingedekt wisten door de supporterende knipoog van clandestiene oversten, in een vaag spectrum dat zich naar hogere ideologische regionen vertakte?

Da gade gij niet oplossen hoor, sluit Jef wat verveeld ons ongemakkelijk dispuut af. Bij Leo stop ik het gesprek nog eerder, eigenlijk ben ik nog altijd bang van diens dodende blik. Maar bij beiden herken ik die leegheid eigen aan mensen die het vertikken om dieper na te denken. Zou het kunnen dat zij dit tot op hun sterfbed gaan volhouden, dat zij abstractie blijven maken van de 28 gewone mensen die werden neergekogeld in de dood, dat zij trouw blijven aan hun zwijgzame onverschilligheid, die in principe kan neerkomen op een minstens passieve medeplichtigheid. Of is er, zoals ik hier bij aanhef reeds veronderstelde, toch iets mis met mij?