Toen ik als verbindingsofficier van de Politie dienst deed bij de Private Veiligheid op Binnenlandse Zaken leerde ik een hoop interessante madammen kennen, met wie ik één voor één niet naar bed ging. Onze relaties waren er zuiver van vakkundige aard, zoals dat hoort, de onkuisheid was voorbehouden voor het thuisfront. Ik was in die jaren een man op de dool, geen enkele vrouw kon me blijvend bekoren en het Mooie Meisje van Meise was ik nog niet tegengekomen, dat was slechts verre sirenenzang. Ik wachtte er ongeduldig op én ik wist: de dag van mijn grote geluk is op komst. Ondertussen scharrelde ik links en rechts wat rond, ik wipte en ik wikte en woog (billen & borsten), maar mijn werk nam ik echter ter harte, in alle ernst en zonder frivoliteiten of geflikflooi.
Een bijzonder dame op onze dienst was de goed beboezemde Lucianne.
Ze was ravissant in haar eenvoud, bekoorlijk door haar bescheidenheid en enorm aantrekkelijk door haar extreme hulpvaardigheid en gulle lach. Ik sprak niet veel met Lucianne, we verstonden mekaar zonder woorden. Onze contacten verliepen hoofdzakelijk via mailverkeer. Als ik haar iets vroeg (en benadrukte dat het antwoord zeker niet dringend was), kreeg ik gegarandeerd haar respons nog diezelfde dag, meestal zelfs binnen het uur. Ik bejegende haar op dezelfde manier, ik soigneerde Lucianne, ze was mijn meest professionele collega en onder haar vrouwelijke rondborstigheid school een hart van goud. Onze communicatie bestond uitzonderlijk uit een terloopse knipoog of een lief en kort klapke in het voorbijgaan. Wederzijds respect heeft geen grote woorden nodig, de stilte die tussen ons heerste sprak boekdelen. Lucianne was een extreem rustige maar erg alerte en betrouwbare kracht, zulke mensen zijn zeldzaam op de werkvloer, maar ze kunnen haast op hun eentje de rest van alle nutteloze collega’s stutten. Ze vertelde me wel ooit over haar man (Lucien), die verbleef al jaren in de gevangenis van Dendermonde. Hij had het er best naar zijn zin, van kleine garnaal was hij er opgeklommen tot dikke vis, de gedetineerden respecteerden hem, hij was hun geliefde… oppercipier.
Het was een permanente grap bij ons dat Lucianne haar man in het gevang zat.
Elke voorbeeldige werkkracht kent gewoonlijk ergens de perfecte antipode: een tegenovergesteld en negatief spiegelbeeld. Voor Lucianne was dat haar bazin Jana, een koket en sexy dametje dat als geen ander met haar bevallig gat kon schudden: als ze door onze werkplek wandelde, waande ze zich op de catwalk. Ze stapte op de hoogste hakken en waagde zich vaak aan de diepste decolletés, lager kon ze echt niet zakken. Jana was juriste en bevond zich op het bovenste graden-platform: het prestigieuze niveau A, de hoogste rangorde in federale overheidsdienst. Ter vergelijking: Lucianne bekleedde als lagere bediende slechts het niveau C. En toch waren in de praktijk de rollen compleet omgekeerd: Jana (met al haar wereldvreemde verwaandheid) teerde op het talent van Lucianne, ze liep gedwee aan het handje van haar ondergeschikte. Deze laatste
betoonde zich in zowat alle vakdomeinen de meerdere van haar chef Jana. Dat was vrij genant voor beide partijen, maar Luciane heeft daar op geen enkel moment van geprofiteerd. Zij bleef nederig en gunde Jana alle eer (die haar geenszins toekwam). Precies een grootmoedige moeder die haar onbeholpen en grillige kindje met stiekeme duwtjes in de rug door het leven helpt. Jana paradeerde en glorieerde, Lucianne zwoegde en zweeg. Het kwam zelfs zo ver dat ons belabberde ‘niveau A’ een exclusieve opdracht van de minister integraal liet uitwerken door haar geniaal begaafde ‘niveau C’. Jana kreeg het openlijk applaus, Lucianne een vluchtig schouderklopje (dat niemand zag), behalve ik… want het was mijn hand die haar bewonderend beroerde. Achter de schermen heeft het wel schandaal verwekt – niet mijn aanraking – maar het dikke profitariaat van Jana.
Daaropvolgend kwam plots de kentering: Jana viel voor onbepaalde tijd ziek uit, blijkbaar een probleem van mentale aard. Lucianne nam ook toen ongevraagd de taken van haar wankele diensthoofd over. Zij functioneerde – met haar diploma van lager middelbaar – vlekkeloos als een universitair geschoolde. Niemand miste Jana en de minister wist van niks, want het geleverde werk was evenzeer excellent en onberispelijk. Lucianne werkte moeiteloos voor twee. Zij moet het eerste niveau A+C uit de geschiedenis van de Belgische ambtenarij zijn geweest. Zij nam de dikste dossiers mee naar huis, voor avond- en weekendwerk (ook op die tijdstippen zat hare Lucien vaak “opgesloten” in het cellencomplex van Dendermonde).
Niemand op de dienst heeft eigenlijk geweten hoe het Jana finaal is vergaan, behalve ik, tja, toch een beetje: ik kwam haar op zekere dag tegen in Leuven. Ze zag er (jawel) stralend uit, ze liep hand in hand met haar patser van een man, allebei schoon opgekleed en excentriek gezonnebrild. Ze herkende mij meteen en lachte breeduit. Ik kreeg een kus met innige omhelzing en toen stak ze meer dan enthousiast van wal: ja, ze was nog zwaar ziek, waarschijnlijk voor zeer lange tijd.
Ze leed aan iets dat misschien wel ongeneeslijk was. Het was een splinternieuwe kwaal waar voorlopig nog geen medicatie voor bestond, tenzij goed rusten, zo weinig mogelijk in het hoofd steken, zeker goed eten (ook op restaurant), af en toe een city-trip en indien mogelijk een exotisch reisje. Enfin, ze moest bewust inzetten op de leuke dingen van het leven, en haar man beaamde volmondig: Jana mag zo min mogelijk aan haar werk denken, laat staan haar professionele taken hervatten. Zo is dat, bevestigde Jana mij met een gelukzalige glimlach: ik lijd aan een pijnlijke vorm van bore-out, niet te verwarren met een burn-out. Let op het essentiële verschil: bij een bore-out slaat onmiddellijk en onverbiddelijk een gevoel van neerslachtige ledigheid toe zodra ook maar het minste aspect van werk(hervatting) ter sprake komt.
Ze spelde me daarbij vrij betweterig en met haar venijnige lachje de les: je weet misschien niet dat het Engelse be bored staat voor zich vervelen. Ach, monsterlijk mormeltje toch, antwoordde ik haar in gedachten.
Dus, besloot Jana haast triomfantelijk, kan ik niet anders dan mij overgeven aan een rustig leven zonder besognes om de job. Want anders dreig ik per definitie ten onder te gaan aan die gesel van zinloze verveling die in mijn geval gepaard gaat met om het even welke werkervaring. Dat klopt exact jong, grinnikte haar levensgezel, even vrolijk als zijn dame Jana, ze nodigden me nog uit voor een terrasje. Ik bedankte vriendelijk, ontzettend bang als ik was om besmet te worden door zulke decadent (zich) vervelend volk, de asociale verspreiders van een acuut en absoluut gebrek aan verantwoordelijkheidszin.
Help mij alstublieft Lucianne, uw gewezen bazin is een gepatenteerde luie feeks, met de hulp van haar collaborerende partner, haar valse dokter en de perverse bevestiging van de ziekenkas. Die “bore out” is slechts een camouflage-woord voor de kwaal van “foute vrouw”.
