77ste verjaardag van de Joodse Opstand in het Getto van Warschau van 19 april 1943

Warschau-opstand

Een veel voorkomende vraag wanneer wij de Holocaust beschouwen is “Waarom hebben de Joden zich niet verzet?” Maar dat deden ze wél en hoe!!  In de video (onderaan) worden de verschillende vormen en soorten van Joodse verzet uitgelegd, zowel geestelijk als gewapend.

In de ongekende onmenselijkheid van de Holocaust waren er Joden die de kracht en de moed hadden, zowel lichamelijk als geestelijk, om hun menselijkheid te behouden en te weerstaan ​​aan de hopeloosheid en ontmenselijking. Het verhaal van hun verzet is een menselijk verhaal dat de hoogten laat zien die de mens kan bereiken, zelfs in de diepten van wanhoop.

Opstand in het Getto van Warschau
Al op 18 januari 1943 werd er voor het eerst verzet gepleegd door de ongeveer 56.000 Joden die de deportaties naar KZ-Auschwitz-Birkenau hadden ontweken en waren ondergedoken in de puinen van het getto. Onbevreesd hadden zij vanuit huizen, daken en kelders de Duitse soldaten onder vuur genomen.

Geschrokken en zwaar gefrustreerd door deze totaal onverwachte reactie van de Joden, trokken de Duitsers zich haastig en geslagen terug uit het getto, tientallen gewonde en gedode soldaten met zich meevoerende. De psychologische klik die de Joden kregen bij dit eerste treffen was vooral symbolisch. Voor het eerst bleek dat verzet tegen het onaantastbare Duitse leger mogelijk bleek en aldus was het eerste gewapende Joodse verzet geboren.

Enkele dagen later riep de zionistische organisatie ZOB (Zydowska Organizacja Bojowa) op tot de gewapende strijd: “Joden, verzet U! Grijp messen en bijlen! Vecht!“.

De ZOB was in november 1942 door Joodse communisten en zionisten opgericht en geleid door de jonge Mordechai Anielewicz, Yitzhak Zuckerman, Gole Mire en Adolf Liebeskind. Op 22 december 1942 pleegden Zuckerman, Gole Mire en Adolf Liebeskind een aanslag op een café in Krakau dat bezocht werd door de SS (Schutztaffeln) en de Gestapo.

Mire en Liebeskind kwamen allebei om tijdens de aanslag maar Zuckermann kon ontkomen, ondanks een schotwonde in zijn been. In de maanden die volgden na het eerste gewapende treffen met de nazi’s binnen het getto, was de ZOB de facto de enige baas in het getto. De ZOB was de enige macht en de enige autoriteit die werd erkend door de publieke opinie.

De Joodse raad (Judenrat) werd letterlijk door de ZOB buiten spel gezet. Hun geheime drukpersen draaiden op volle toeren. Overal werden pamfletten verspreid en opgehangen aan deuren, huizen en gebouwen die de Joden opriepen om de gewapende strijd tegen de nazi’s op te nemen.

Na de eerste rel in januari hadden de Joodse strijders wel ingezien dat ze het bij straatgevechten nooit zouden halen van de nazi’s en besloten dat guerrillagevechten voor de partizanen betere kansen maakten. Uiteraard zullen zij wel beseft hebben dat ze tegenover de Duitse legermachine onvermijdelijk het onderspit moesten delven, maar ze waren liever bereid al vechtend te sterven dan gedwee hun lot te ondergaan.

Dat het spoedig tot de ultieme strijd op leven en dood zou komen, begreep iedereen, maar elk ander alternatief bracht ook het onafwendbare doodslot. De jonge commandant Anielewicz had rondom zich een 1.000-tal strijdvaardige jonge mannen en vrouwen verzameld, opgedeeld in 22 bataljons van 60 jonge mannen en vrouwen. In de voorafgaande maanden had de ZOB op de Poolse zwarte markt en bij het Poolse verzet, vaak tegen erg hoge prijzen, wapens aangekocht.

Op de vooravond van de opstand van 19 april, beschikte de ZOB over 2 of 3 machinegeweren, 100 geweren en karabijnen, 100 pistolen en revolvers, een paar duizend Poolse en zelfgemaakte handgranaten, mijnen, molotovcocktails, enkele gasmaskers, Duitse helmen en uniformen.

Op 17 april ’43 was SS-Brigadeführer (generaal-majoor) Jürgen Stroop in Warschau toegekomen om er de dienst over te nemen van de Hogere SS- en Politieleider van Warschau over te nemen. Twee dagen later zond Stroop een gewapende eenheid van de Duitsers het getto binnen, om te zoeken naar overlevende Joden en hen te deporteren naar de vernietigingskampen.

Met twee pantserwagens, drie stukken geschut en een buitgemaakte Franse tank en 3.000 soldaten en nog eens 7.000 vervangers achter de hand, brak op in de vroege ochtend van 19 april 1943 omstreeks 4 uur, de Joodse Opstand in het Getto van Warschau uit. Stroop had aan Himmler beloofd dat hij slechts drie dagen nodig zou hebben om de klus te klaren, maar het werden uiteindelijk vier weken van harde meedogenloze gevechten.

De Duitse eenheid reed door compleet verlaten straten het getto binnen, en meenden de strijd reeds gewonnen te hebben. De eenheid reed de Milastraat in en trachten een bivak op te stellen op het kruispunt met de Zamenhofastraat tot de ZOB het vuur opende. Van op de daken regende het zelf gemaakte handgranaten, molotovcocktails, het enige machinegeweer loste gericht het ene salvo na het andere (de munitie was beperkt) en van overal klonken geweer- en revolverschoten.

De totaal verraste Duitsers trachten weg te komen maar hun enige weg terug was afgesloten. Ze probeerden hun tanks in stelling te brengen, maar de eerste brandde volledig uit door een gelukstreffer met een molotovcocktail en de andere geraakte niet voorbij de eerste. Geen enkele Duitse soldaat overleefde deze eerste confrontatie van de opstand.

Tegelijkertijd braken ook gevechten uit in het gebied rondom Nalewki- en Gesiastraat. Twee strijdformaties van de ZOB beletten de Duitse troepen om van dat punt het getto binnen te raken. Het gevecht duurde meer dan zeven uur. De Duitse soldaten trachten zich te beschermen met matrassen die ze uit de huizen haalden, maar de partizanen bekogelden ze met molotovcocktails waardoor ze onmiddellijk vuur vatten. Ambulances reden af en aan om de zwaargewonde of gedode Duitse soldaten af te voeren naar een inderhaast opgetrokken veldhospitaal op een plein nabij enkele overheidsgebouwen.

Mordechai Anielewicz, de commandant van ZOB in een brief van 23 april 1943: “Er gebeurde iets dat onze stoutste verwachtingen overtrof. De Duitsers vluchtten tweemaal het getto uit. Een van onze afdelingen hield veertig minuten stand, de tweede langer dan zes uur.” Op de hoek van de Gesiastraat gaf een Duitse observatiepost de posities van de partizanen door aan de gevechtsvliegtuigen die boven het getto circuleerden en op hun aanwijzingen de gebouwen platbombardeerden.

Maar de partizanen bleven zowel vanuit de lucht als van op de grond totaal onzichtbaar en ongrijpbaar. De partizanen die in de gebouwen zaten die vuur vatten, verbrandden nog liever levend in de vlammenzee dan zich over te geven aan de nazi’s. Het gevecht aan de Gesia- en Nalewkistraat eindigde in een volledige terugtocht van de Duitsers.

Tezelfdertijd waren ook hevige gevechten aan de gang op het Muranowskiplein. Hier vielen de Duitsers aan vanuit alle richtingen. Met grote verliezen slaagden de partizanen de aanvallen af te slaan. Twee Duitse machinegeweren en een hoeveelheid andere wapens werden buitgemaakt. Een andere tank brandde volledig uit, de tweede al op die eerste dag.

Om 2 uur ’s namiddags waren de gevechten voorbij en bleef het verder rustig op die eerste dag. Behalve dan de bombardementen van de laagscherende Duitse jachtbommenwerpers die hun bommen bleven afwerpen en Duits artilleriegeschut dat in positie werd gebracht op het Krasinskiplein, en het getto van daaruit onder vuur bleef nemen.

De volgende dag bleef het rustig tot omstreeks 2 uur in de middag en de Duitsers hun tweede aanval inzetten. Aangekomen aan de ingang van een borstelfabriek, wiste ze niet dat een partizaan een electrische knop omdraaide. Een Duitse fabriekswacht stapte naar de poort om ze te openen, gevolgd door de andere soldaten, en net op het ogenblik dat de meeste Duitsers de fabriek binnentraden ontplofte een landmijn onder de voeten van de SS’rs.

Meer dan honderd SS-soldaten werden op slag gedood. De overlevenden werden onder vuur genomen door de partizanen. Twee uren later probeerden ze opnieuw de borstelfabriek binnen te raken, maar ze werden opgewacht door een goed bewapende partizanengroep. Van de dertig soldaten die binnen raakten, konden maar een handvol de fabriek levend ontkomen. Opnieuw was dit gevecht uitgedraaid op een compleet succes voor de partizanen. De Duitsers probeerden telkens opnieuw het getto binnen te raken vanuit verschillende punten maar stuitten overal op verbeten partizanen. Elk huis was een versterkte burcht.

Nu gebeurde er iets totaal onverwacht. De Duitsers stuurden drie officieren om te onderhandelen met de partizanen. Zij vroegen om een bestand van een kwartier om hun doden en gewonden op te halen. Ze beloofden ook om alle inwoners van het getto te evacueren naar werkkampen in Poniatowa en Trawniki, en hen al hun bezittingen te laten meenemen, op voorwaarde dat ze zich overgaven.

Als enige antwoord openden de partizanen opnieuw het vuur op de soldaten. Vanuit alle ramen en gaten in de huizen werden de Duitsers beschoten. Vanaf dan wijzigden de Duitsers drastisch hun tactiek. In plaats van te trachten huis per huis in te nemen, besloten ze om complete woonblokken en zelfs hele woonwijken in brand te steken. Het werd voor de partizanen moeilijker om zich vrij te bewegen doorheen het getto. Volledige straten waren geblokkeerd door reusachtige branden. Daken storten naar beneden en muren vielen omver. Er was geen lucht meer, en een zwart verstikkend rookgordijn hing boven het getto dat kilometers ver buiten de stad zichtbaar was.

In deze benarde situatie slaagden de Duitsers in hun opzet. Duizenden Joden zaten als ratten in de val, opgesloten en omringd door brandende huizen, dikwijls verscholen in de tuinen of de kelders om aan de brand te ontkomen, vormden ze een gemakkelijke prooi voor de Duitsers. Het einde van de opstand kwam snel dichterbij. Na de reeks aanhoudingen dachten de Duitsers dat de partizanen nu wel bereid zouden zijn om zich vrijwillig te laten evacueren en ze kondigden een deadline af van vijf dagen waar de partizanen en de overlevenden zich op de centrale verzamelpunten konden melden om gedeporteerd te worden.

Ondertussen liepen de gevechten verder. In de Tobbens en Schultz omgeving bleven ze het de Duitsers moeilijk maken om zich door het getto te manoeuvreren. Van op balkons, ramen en daken werden de trucks en jeeps van de SS bekogeld met molotovcocktails en handgranaten. Een truck met vijftig of zestig Duitse soldaten werd van op een balkon een zelfgemaakte zware bom gegooid waardoor de truck volledig uitbrandde en alle soldaten omkwamen.

Vijf dagen later was de deadline voor vrijwillige evacuatie verstreken en de Duitsers trachten opnieuw om het gebied onder controle te krijgen maar botsten opnieuw op hevig verzet. Helaas konden de voorheen strategisch geplaatste mijnen niet meer tot ontploffing worden gebracht omdat de Duitsers de elektriciteit in het gebied hadden afgesloten. Doch partizanen hadden zich in elk huis gebarricadeerd en beletten de Duitsers het gebied in te nemen. Andermaal zetten de Duitsers het hele huizenblok in lichterlaaie en honderden partizanen kwamen levend om in de huizen, sommigen wierpen zich brandend van de balkons en de daken naar beneden.

Professor Israel Gutman, een Poolse Jood die de opstand overleefde: “De oorlog ging om elke bunker, om elk huis in het getto van Warschau en eindigde pas toen het ene huis na het andere met springstof werd opgeblazen. Op het laatst was het hele getto alleen nog maar één grote ruïne, zonder enig teken van leven.“

Nog gaven de partizanen zich niet gewonnen. Naarmate de brand verder woedde door het getto verborgen de partizanen zich in hun ondergrondse bunkers, kelders en schuilplaatsen die ze wekenlang voor de opstand hadden ingericht. De toestand werd kritiek want ook het water was afgesloten. De meeste gevechten vonden thans plaats tijdens de nacht. Overdag lag het getto er doods en verlaten bij. Duitsers geholpen door Oekraïners legden zich ’s nachts in een hinderlaag en konden zo veel partizanen uitschakelen.

De situatie voor de ZOB-strijders werd nu wel echt hachelijk. Zonder water en haast zonder ammunitie bleven ze zich verzetten. Op 30 april hadden de Duitsers reeds 37.359 joden opgepakt. Tientallen werden zwaar gefolterd om schuilplaatsen en bunkers aan te geven. Op 8 mei 1943 werd de ultieme aanval ingezet op het hoofdkwartier van de ZOB dat zich op Mila 18 bevond.

De Duitsers werden zwaar onder vuur genomen en na een gevecht dat meer dan twee uren duurde besloten ze gifgas in te zetten. Ze gooiden een zware gasbom in de bunker en iedereen die niet onmiddellijk vergast werd, pleegden collectief zelfmoord. Onder hen ook de commandant van de ZOB, de moedige jonge held Mordechaj Anielewicz.

Professor Israel Gutman:

Ze gooiden gashouders in de bunker -ik weet nog steeds niet om wat voor gas het ging-,om de mensen te dwingen naar buiten te komen. Geen jood verwachtte menselijk gedrag in de tijd dat het getto werd ontruimd. Misschien waren er groepjes arbeiders die nog geloofden dat ze voor werk naar Lublin werden gestuurd, maar dat was een kleine minderheid. De grote meerderheid van de Joden geloofde de Duitsers niet. Ze achtten hen tot alle wreedheid en gruwelijkheid in staat. Het is droevig dit alles te moeten zeggen, maar zo was het.

Toch slaagde nog een groep van zowat 100 tot 120 verzetstrijders op 9 mei uit het getto te breken via de rioleringen en in de bossen weg te vluchten. Zij waren waarschijnlijk de enige groep van het verzet die de opstand overleefden. Toch bleven nog twee partizanengroepen actief in het getto. Op 16 mei 1943 besloot Jürgen Stroop dat de opstand voorbij was. Hij had op 11 mei van een gevangen verzetstrijder vernomen dat de leiding van de ZOB zich op 9 mei gezelfmoord had in de bunker.

Alhoewel er nog alle dagen schoten vielen en her en der verzetstrijders de Duitsers bleven beschieten, wilde Stroop toch al het ‘goede nieuws’ aan Himmler overmaken: “De voormalige Joodse woonwijk Warschau bestaat niet meer. Met het opblazen van de stedelijke synagoge werd de grote actie om 20u15 beëindigd.” Tegelijk met de synagoge werd, om de overwinning nog wat kracht bij te zetten, op 16 mei de Joodse begraafplaats eveneens totaal verwoest.

Een reactie achterlaten