Hij is gebiologeerd door collectief geweld. Maar zijn inspiratie haalt de directeur van Kazerne Dossin bij zijn mierenkolonies. Ontbijt met De Tijd.

Weinigen daalden in hun leven zo diep af in de menselijke ziel als Christophe Busch (40). Eerst bekommerde de criminoloog zich om psychisch gestoorde daders van zware misdrijven, daarna behaalde hij een master in de Holocaust- en genocidestudies en maakte hij een doctoraat over dadergedrag en radicalisering. Vandaag is hij directeur van Kazerne Dossin, het Holocaust- en mensenrechtenmuseum in Mechelen, en volgt hij terrorismestudies aan een Schotse universiteit.

‘Ik ben nochtans veeleer vredelievend van aard’, zegt hij terwijl hij koffiekoeken en een tros druiven op tafel zet in zijn ouderlijk huis in Gent, waar hij met zijn twee jonge kinderen woont. ‘Mijn fascinatie voor collectief geweld werd gewekt op mijn twaalfde, toen ik van mijn grootmoeder een boek over de nazi’s kreeg. Ik was meteen gefascineerd door de pracht van die uniformen en de scenografie van de propaganda. In de jeugdbeweging besefte ik wat de kracht van die verbondenheid in zo’n uniform moet hebben betekend op een nog veel grotere schaal.’

Met Christophe Busch praten we over zijn fascinatie voor de Holocaust, over de gevaren van polarisatie en over Aziatische weefmieren.

Als tiener verslond Busch de Holocaustgeschiedenis. Hij wijst naar een rij oude fototoestellen in de boekenkast. ‘Mijn vader, een boekhouder, was een hobbyfotograaf. In het derde middelbaar moest hij van mij mee naar Breendonk, omdat ik er een spreekbeurt over wilde geven. Hij heeft toen een hele diareeks gemaakt. (lacht) Hij heeft me nadien ook wel eens bezorgd gevraagd of het de goede kant opging met mij, omdat hij altijd boeken over de nazi’s zag rondslingeren in mijn kamer.’

Het leed geen twijfel: Busch zou criminologie studeren. ‘Je hebt twee soorten criminologen. Diegenen die later bij de politie, justitie of in een bank willen werken. En diegenen die, zoals ik, daders willen begrijpen. Maar toen ik afstudeerde, bestond er nog geen Holocausteducatie in ons land. Gelukkig kon ik in 2001 in het net opgerichte psychiatrisch centrum Sint-Jan-Baptist in Zelzate beginnen.’

Gevangenis

Het pionierswerk in het instituut van de Broeders van Liefde lag hem. ‘Tot dan zaten geïnterneerde daders, uitgespuwd door de samenleving, gewoon in de gevangenis. Ik heb destijds alle forensische klinieken in Nederland afgelopen, omdat ze daar al veel verder stonden. In het begin schatten wij de risico’s hier heel basaal in. Genre: ‘Hij heeft grote handen, dus hij zal wel gevaarlijk zijn.’ Gaandeweg begonnen we het criminele verleden en de relaties van de geïnterneerden uit te spitten om tot behandelingen op maat te komen.

Busch leerde er vooral anders naar daders kijken. ‘Zodra je hun verleden ontrafelt, krijg je zo veel grijstinten dat je enkele zaken gaat begrijpen zonder daarom de daden te verschonen. Sommigen waren van kleins af aan kapotgemaakt en hadden een gewelddadige overlevingsstrategie ontwikkeld. Ik herinner me een dader die vanaf zijn vijfde slaag kreeg van zijn ouders en zes maanden in een put onder een plank had geleefd. Dat is een wolfskind, hè.’

En dan, terwijl hij zich een glas fruitsap inschenkt: ‘Hoe meer ik over de Holocaust lees en weet, hoe meer ik me kan inbeelden dat ik ook dader had kunnen worden in zo’n context. (laconiek) In nazi-Duitsland had ik wellicht in Berlijn gewerkt, als deel van het middenkader. Mensen vergeten dat vaak, maar het collectieve nazi-geweld vereiste niet alleen kampbewakers en commandanten, maar ook ingenieurs, metsers en architecten, die mee in de logica stapten. Architecten hebben de concentratiekampen zo ontworpen dat drie mensen in één bed konden slapen. Dat had een dramatische impact, hè. Het leidde tot de snellere dood van veel meer mensen.’

Holocaustgruwel

Toen Kazerne Dossin eind 2012 opende, als een blijvende herinnering aan de Holocaustgruwel, was Busch de gedroomde operationeel directeur. Volgens insiders stak hij met kop en schouders boven de andere kandidaten uit. ‘Ook voor mij was het een droom die uitkwam.’

Het museum blijft relevant, zegt Busch. ‘Elk jaar, op 1 december, voegen we nog foto’s van Holocaustslachtoffers toe aan onze muur met tienduizenden portretten. We krijgen ze van familie of uit buitenlandse archieven. Dat is telkens weer een intense ceremonie, in aanwezigheid van familieleden van over de hele wereld. Het is de essentie van ons museum: mensen die genadeloos van de aardbol zijn weggevaagd weer een gezicht geven.’

Sinds de Syriëstrijders en de terreuraanslagen in Europa heeft Busch nergens nog het belang van Kazerne Dossin moeten benadrukken. ‘De vervoermaatschappij De Lijn klopte zelf bij ons aan omdat ze meer islamofobie vaststelde bij haar controleurs’, zegt Busch.

Etnische polarisatie

In deze tijden van gecontesteerde vluchtelingen- en transitmigrantenstromen beschouwt Busch het ontmijnen van de groeiende etnische polarisatie als een cruciale opdracht. ‘Voor alle duidelijkheid: ik heb niets tegen politieke polarisering. Je moet de zaken op scherp durven te stellen, bijvoorbeeld als het gaat over al dan niet samenwerken met het regime in Soedan. Maar ons museum toont tot welke vreselijke gevolgen etnische polarisering al heeft geleid.’

We hebben dat probleem te lang compleet verkeerd aangepakt, zegt Busch, terwijl hij een blad uit mijn notitieboekje scheurt. Driftig begint hij te tekenen, om vervolgens minutenlang te doceren. ‘We willen altijd bemiddelen tussen de ‘pushers’, de verkondigers van extreme standpunten. YouTube staat vol filmpjes van de mediadebatten tussen Fouad Belkacem en Filip Dewinter. Maar die mensen schuiven daar geen centimeter door op. Je maakt de extreme volgergroepen alleen maar groter, en de middengroep krimpt. Dát is het grote gevaar van polarisatie.’

Hoofddoekendebat

Via workshops wil Busch een netwerk van (islam)leerkrachten en politieagenten slim leren depolariseren. ‘Neem het hoofddoekendebat. Eigenlijk gaat dat over de plek van religieuze symbolen in een seculiere rechtsstaat. Maar de extremen framen het zo dat het daar al lang niet meer over gaat. De ene kant heeft het over een teken van de achterlijkheid van de antiwesterse islam, de andere fulmineert dat katholieke zusters wel een hoofddoek mogen dragen. Het is de taak van de media, maar ook van het onderwijs en Kazerne Dossin, om die pushers te marginaliseren en het juiste debat te voeren.’

‘Hetzelfde geldt voor de discussies over de verschillen in schoolse betrokkenheid tussen allochtone en autochtone ouders. Rechts maakte daar snel een etnische wij-zij-tegenstelling van, terwijl je daar niet op mag reageren. Je moet het eigenlijke debat voeren: hoe komt het dat sommige ouders minder betrokken zijn? Dan zal je snel vaststellen dat bij de Marokkaanse mama een taalprobleem speelt en bij de Vlaamse mama kansarmoede.’

Als kruisvaarder tegen het wij-zij-denken gelooft Busch heilig in de kracht van netwerken. ‘Ik maak voortdurend verbindingen. Met scholen, magistraten, agenten, burgemeesters. Ik moet verbanden kunnen leggen en verbonden kunnen smeden.’

Mieren naast het bed

Inspiratie haalt hij uit zijn drie mierenkolonies. Hij wijst naar een terrarium in de keuken. ‘Gekocht in The Antstore, een bekende Duitse winkel. De ene kolonie liet ik overvliegen uit Thailand, de andere twee kwamen met de post uit Duitsland.’ Hij vertelt hoe verzamelaars foto’s van hun kolonies op webfora zetten en er eindeloos over doorbomen. ‘Ik was ooit bij een Duitse verzamelaar. Ik had te doen met zijn vrouw. De Tupperware-potjes met mieren stonden zelfs naast het bed.’ (lacht)

‘Zo ver gaat het bij mij helemaal niet. Al betrap ik mezelf er soms op dat ik uren heb zitten kijken’, zegt Busch, terwijl hij de vitrine van een kast achter de ontbijttafel openschuift. ‘Op deze exotische planten zitten Aziatische weefmieren. Ze slagen erin van die bladeren een nest te weven. Soms trekken ze met drie tegelijk aan een blad. Ze zijn zó slim.’

Zoals zovelen had Busch een compleet verkeerd beeld van mieren. ‘Wist je dat mierenkolonies ook vaak werden misbruikt door totalitaire regimes? In ons museum gebruik ik een nazifilmpje uit 1936, gemaakt voor de opleiding biologie, waar mierenkolonies als voorbeeld van de ideale samenleving worden genoemd. Met één sterke leider, de koningin en duizenden werkers.’

Ideale route

Het is opnieuw een voorbeeld van framing, zegt hij. ‘Intussen weten we dat mieren één slim superorganisme vormen. Ze fourageren zeer efficiënt om suiker naar het nest te brengen. Niet voor niets bestuderen pakjesdiensten het gedrag van mieren om de ideale route te bepalen. Mieren communiceren via feromonen, hormonen die ze afscheiden. Wat ze kunnen bereiken, zit dus in de verbinding tussen de mieren en niet in de mier zelf.’

Voor de criminoloog in Busch was dat een ‘geweldige openbaring’. ‘Ik begreep de sociale netwerkanalyse in de forensische psychiatrie plots veel beter. Als je weet dat een patiënt via zijn broer maar één stap van diens criminele vriendjes was verwijderd, moet je op die toxische relatie werken. Zeker als zijn broer die contacten nog altijd onderhoudt.’

‘Vroeger droomde ik ervan de tabel van Mendeljev van het collectief geweld op te stellen, met alle elementaire deeltjes. Maar je moet niet kijken naar de types: de ideoloog, de rekruteerder of de uitvoerder. Dat is meteen mijn grootste kritiek op de criminologie. Je moet vooral kijken naar de invloed van de onderlinge relaties, net zoals bij mieren.’

Een reactie achterlaten