Als ik langs de Leuvense Vaart fiets, kom ik daar sinds een jaar of drie een vriendelijke jongen tegen, die ofwel op wandel is ofwel met zijn maten op het terras zit van een volkscafé. Eerst leek hij me nogal een schuwe gast, hij keek nooit mijn richting uit, ik slaagde er niet in om zijn blik te vangen. Langzaam kwam er beterschap in de communicatie van zijn kant, hij begon mij duidelijk te herkennen en gaf soms een teken van leven: hij beantwoordde mijn voorzichtige groet met een wederknikje, het was zelfs hij die de eerste was om tot spreken over te gaan: “salut”, zei hij, met iets wat leek op een licht Brussels accent. Ik merkte ook op dat hij wel degelijk lange afstanden aflegde langs de Vaart, ik kwam hem tegen zowel op grondgebied Leuven, Wijgmaal als Tildonk, het kon niet anders of hij maalde dagelijks tientallen kilometers al stappend af.
Maar als hij op het caféterras zat, was dat ook voor een paar uur, hij salueerde mij dan zowel (bijvoorbeeld) om 14 uur op mijn heenrit als om 16 uur bij mijn terugrit. Het minste dat ik – als gepensioneerde met relatief veel vrije tijd – kon zeggen was dat die kerel over minstens evenveel vrijheid beschikte (als ik) om zijn dagen relax door te brengen. Niet onbelangrijk om te vermelden dat het om een geschat leeftijdsverschil tussen ons van ongeveer veertig jaar ging. Maar hij was de vriendelijkheid in persoon (geworden), zijn salut breidde zich uit tot “goeiemiddag” en nog meer korte zinnetjes zoals “geniet van de trip” of “profiteer van het weer” en ook die ene keer toen ik samen met Nathalie fietste: “olala, da’s schoon volk”. Enfin, de man die ik aanvankelijk beschouwde als een binnenvetter, was een redelijk vlotte prater geworden, weliswaar in het kort allemaal, gezapig maar slechts in telegramstijl, ik stapte ook nooit van mijn fiets om wat bij te praten, alsof ik mezelf wilde behoeden voor een verschrikkelijke ontgoocheling: want wat deed zo’n jongeman van pakweg dertig jaar, ogenschijnlijk zonder iets te mankeren, ganser dagen langs dat water, lanterfantend en babbelend met zijn maten over om het even wat, als ze hun tijd maar konden omkrijgen. U hoort me waarschijnlijk komen: moest mijn saluerende passant dan nooit… werken? In principe waren dat mijn zaken niet, maar toch stond die bedenking me in de weg om hem van meer nabij te willen leren kennen. Het kon ook zijn dat hij een psychiatrisch patiënt was die flink kon herstellen door veel te bewegen in de buitenlucht en mensen te ontmoeten onderweg, een terrasje was dan therapie voor hem en vreemdelingen (zoals ik) begroeten deed hem waarschijnlijk goed. Misschien was hij levenslang werkongeschikt verklaard, waren zijn zenuwen kapot of leed hij onder chronische depressies, wie weet een burn out door toedoen van vaders, moeders of bazen die hem het vuur aan de schenen hadden gelegd. Was hij daarom gevlucht naar de Vaart, en zo ja wie betaalde dan het prijskaartje? Omdat ik het allemaal niet wil weten, blijf ik hem vriendelijk begroeten, maar ga ik zelfs niet afremmen als hij me enthousiast achterna roept: “een gelukkig nieuwjaar voor u”. Ik steek mijn duim op en roep: “hou u gezond”. Ook dit jaar zal ik geen terrasje met hem doen, ik wens hem wel alle geluk en hoop dat er een dag komt dat ik hem… niet meer zal zien, of alleszins minder, en dat hij ergens aan de slag zal gegaan zijn, desnoods als ober in zijn stamcafé langs de Vaart. Santé en salut copain!
Op de benedenverdieping van onze blok woont een jongen van Afghaanse origine, ik schat hem hoogstens 25 jaar. Hij betrekt er sinds begin 2022 een door de stad Leuven erg netjes gerenoveerd 1-persoons-appartement, het geldt als een modelcomplex met extra isolatie en driedubbele ramen, van de aannemer weet ik dat de duurste materialen werden aangewend. Om de zoveel tijd komen er vakmannen over de vloer, ik zie – in het voorbijgaan – de Afghaan dan heel beslist richtlijnen geven van wat er nog kan en moet verbeterd worden, hij is duidelijk niet verlegen, hij weet wat hij wil. En hij kan het ook goed uitleggen, in een vrij behoorlijk Nederlands, wat hem uiteraard een stuk sympathieker maakt voor zijn overwegend Vlaamse omgeving. Als hij geen werken moet dirigeren in zijn voor hem gratis ingericht huis, dan maakt hij zich nuttig op zijn computer, gedurende lange uren tokkelt hij op zijn tablet, hij werkt eindeloze reeksen spelletjes af, ik hoor de kogels schieten en de bommen afgaan als ik voorbij wandel. Is hij hier misschien uit een echte oorlog als vluchteling terechtgekomen en verschaft hij zichzelf wat nazorg, een soort afkicken van Taliban, Al Qaeda of IS, ik weet het niet. Ik zou het hem kunnen vragen, maar ik ben bang voor het antwoord, soms heb ik ook schrik, op vrijdag vooral, als hij zijn vrouwenkleren aantrekt – zijn chique moslimjurk – en dan luidkeels gezangen aanheft ter ere van Allah. Niet dat daar per se kwaad moet inzitten, maar het zou minder angstaanjagend zijn als hij dan zijn deuren er ramen zou gesloten houden, zijn dure isolatie is daar extra op voorzien. U zal misschien denken: moet die jongen op vrijdag soms niet werken om de ganse dag ramadam te kunnen vieren, dat klopt en dat klopt ook niet: onze jonge moslim werkt nooit, ook op andere dagen viert hij het Westers leven op zijn eigen manier, hij is beleefd en hij is vriendelijk, hij zegt lieve dingen in zijn beste Nederlands, en hij is bekommerd om zijn gezondheid want hij slaapt elke middag tot 13 uur, zijn vrienden ontvangt hij pas later op de dag, die moeten ook eerst uitgeslapen zijn, want, mijn conclusie toch: niemand van die gasten steekt een poot uit op onze arbeidsmarkt.
In dat modelappartement, ingericht en betaald door de sociale dienst van de stad – lees: met ons geld – lopen een ganse dag een tiental islamieten (gemiddelde leeftijd vooraan in de twintig) binnen en buiten, druk druk met zichzelf, en soms in gebed, maar eigenlijk met geen greintje interesse in wat wij hier doen als oorspronkelijke bewoners, ze tolereren ons, dat wel, ze blazen niks op, voorlopig toch.
Ik heb er – om het mezelf makkelijk te maken – maar twee uitgepikt, een Belg en een vreemdeling, allebei erg jong en zo te zien sterk en zelfs meestal opgewekt. Ik mag persoonlijk niet klagen over die gasten, maar toch weet ik dat hier iets niet klopt aan dit plaatje: waarom vullen die de werkvacatures niet in? Maar opgepast, spreek niet van profitariaat, want voordat ge het weet wordt ge aangeklaagd (in het eerste geval) voor discriminatie en (in het tweede geval) voor racisme. Tja, misschien is het hoog tijd voor een trumpiaanse revolutie in dit lamlendig en slabakkend landje. Laat het weer zo snel mogelijk werkendag worden voor jonge mensen, zowel voor blank als donker volk, en voor alle gezonde tussensoorten met poten en kloten aan hun lijf. Er is dringend werk aan de winkel.