12 januari – Java

jan 12, 2020

We wonen al een half jaar op Java. Niet permanent, het is een schuiloord, we duiken er op tijd en stond onder. Het gaat om het plaatselijke Java, welteverstaan. In de buurt van Mechelen station, een sober volks café dat wordt uitgebaat door drie Turkse broers. Het zijn nieuwe Vlamingen, bijna zo beschaafd als wij. Grapje.

Wij, dat zijn N. en ik. Even haar naam niet noemen. Goed voor de spanning en nog beter voor de privacy. We ontmoeten mekaar dus in den duik. Niet dat de wereld het niet mag weten, maar we bazuinen het zeker niet uit. Maar niettemin, al kruipen we daar in het verste hoekje en trekken we fictieve gordijnen dicht, we vangen er wel de blikken. Correctie, het is N. die wordt aangestaard. Ze is blits en blond, veel te jong voor mij, en ook niet dom.

Dus dat is verschieten in zo’n staminee. Zit daar opeens zo’n artistiek model, met al haar sober sexappeal, dat is geen contradictie, naast die toch al wat rijpere man. En die man, dat ben ik, is fier. Want hij ziet haar graag. Zij fluistert hem iets gelijkaardigs in zijn oor. Althans, dat meent hij te horen. In Java staat de muziek meestal vrij luid.

Het is een café vol arme sloebers, aandoenlijke mannen, en ook een paar vrouwen die duidelijk op de dool zijn. Ze vinden troost bij mekaar en hun half verzonnen verhalen, hun trage dronkenschap en hun zware gang van toog naar tafels. Wij, N. en ik, houden van deze taferelen. Deze naakte mensen, zonder franje, arm en verlept, ze ontroeren ons. Maar dat mag je vooral niet tonen. Doe normaal. Drink uw glas leeg, zever wat, speel op de bingo-kast.

Ondertussen knalt de seventies muziek uit een verre box, compleet ontstemd, staat de TV permanent op voetbal of velokoers. De favoriete bieren zijn verschraalde pils en halfjes Cola-Stella. Vloeibare brol bij goeiekope lol. Wie biedt meer? Ik ben niet beter, meneer. Ik geneer me als eerste.

Wij drinken thee en koffie. N. heeft vandaag haar zwarte hoedje op, zelf ontworpen, zoals ze ook haar patent heeft op specifieke schoonheid die ze altijd meedraagt. Ik help haar met adoreren, ernstig, in volle concentratie, al mijn aandacht gaat naar haar, naar al dat fraais. We zitten in ons zwoele donker hoekje. We praten wat bij. Aan de toog wordt gefezeld: zie die twee daar konkelfoezen. Loense blikken. Doe maar mannen.

Ook ik ben een loser. Gelukkig niet alleen, even niet, mag het misschien? Dus niet jaloers zijn. We proberen de wereld te arrangeren. We helpen jullie zwelgen, onze story is jullie gratis porno. En als ik zonder inspiratie raak, dan laaf ik me aan haar parfum. Dan verdrink ik even. Acrobatisch standje.

We zitten verstrengeld, vingers omklemmen vingers. De ene blik bliksemt, met een vurig vraagteken, naar de andere. Is dit een begin van bezonken liefde? Of is dit een bezopen oponthoud, om effe vlug te houden van, een tussendoortje, een hopeloos onderkomen. Zijn wij even eenzaam, met ons tweeën, als die verschoppelingen hier, die outcasts van het normale leven? Kunnen wij ons enkel aan mekaar vastklampen, mond-aan-mond, doen alsof, ik de koffie-dronken hoogmoedige, N. de kokette, kwetsbaar zoete? Spelen wij hier dik komedie, knabbelend aan een koekje, wij misplaatste minnaars?

Ik weet het niet, ik hou van Java, ik hou van haar, mijn Javaanse vrouw. Eens wij buiten staan, hervat de kou. Ik reis weer verder, zij verlaat mij.

 

 

 

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.