15 juni – Vaderdag

jun 16, 2020

 

Gisteren was het Vaderdag, dat werd eergisteren gevierd, door Barry en Katoke, de kinderen van Nathalie, ter ere van mij, de man die door hun mama werd binnengehaald, als de nieuwe en grote geliefde. Hoogst opmerkelijk, dat ging ontzettend diep en bliksemsnel. Vanzelfsprekend ook.

Niemand zei ‘dag vreemde man’ tegen mij, integendeel, de ontvangst was met een glimlach, warme stemmen die spraken, er weerklonk goedheid en gulheid.

Ik dank hen, deze lieve jonge mensen, ik denk ook aan Vinnie, ik zet het vaderschap verder, langs een indirecte weg, maar recht vanuit mijn hart.

Ook zondag diende zich uitzonderlijk feestelijk aan, niet enkel Vaderdag maar ook een heuglijke verjaardag, mijn kleindochtertje Roosje werd 5.

En in de prille post-corona-periode had ik bezoekrecht. Met de nodige restricties, aangescherpt door mijn schoondochter. Mondmasker moest binnenskamers op, onderlinge afstand, geen kussen en geknuffel.
Ken je plaats opa, treed vooral niet nader.

Maar ik paste me aan, geraakte de hoge drempel over en overlaadde hen met geschenken, sierlijk met slierten ingepakt door mijn lief. Zij leeft met guitige strikjes en onstuimige fantasie, een cadeau is voor haar meer dan inhoud, zij verpakt ook haar hart, haar liefde knispert door het papier.
Dat voelen kindjes goed, ik genoot en knipoogde naar Vinnie aan de muur. Zo moest het.

De rest van het binnenhuisparcours verliep met hindernissen, de wakende blik van de mama woog nogal door, misschien goed bedoeld. “Weet dat het voor uw eigen gezondheid is” zei ze. Het klonk vrij belerend.
Ik behoorde tot de kwetsbare corona-groep. Alsof iets me nog meer kon kwetsen dan het voorbije leven, de dood hing in een tiental portretten aan de muur, de koersfiets van mijn zoon stond nog in de living, maanden onbereden, wachtend op een herstart. Helaas.

Ik voelde dat de sfeer niet goed zat, ik kwam moeilijk in de wedstrijd, het was een parcours met obstakels. Overal een plotse wegversperring, een toegeroepen halte, een brutaal stopbord, een stemverheffing. Om kort te gaan, niks mocht, behalve falen en aan mijn grootvaderlijke plicht verzaken. Ik was gewoonweg ongewenst. Want ik moest dat begrijpen, kijfde ze, het was een bijzondere dag voor hen, de kindjes waren zonder vader, definitief door het lot getroffen, het grootste gemis op Vaderdag.

Dat klopte, gedeeltelijk, vanuit haar emotionele bril bekeken. Ze is immers de trieste weduwe, maar de waarheid is toch omvangrijker, schrijnender. Ze fietste vrank en bitsig, voor de zoveelste keer, zelfs ziekelijk repetitief, op staalharde wijze aan mij voorbij. Meedogenloos zijn haar oogkleppen, ze wil me gewoonweg dood. Mijn retoriek is hier geenszins overdreven, ik ben voor haar schuldig zolang ik leef. Als ik vlug wil sterven, vindt ze rust.

Maar ik ben en blijf de vader van mijn zoon, de papa van Vinnie, zeker op deze Vaderdag. Dan snijdt mijn pijn nog dieper, dan ween ik inwendig en dan mis ik hem verschrikkelijk, dan mankeer ik woorden, dan bots ik op die blokken beton vanbinnen, stom bevroren stilte. Dan ben ik één brok verdriet, verstikte ogen, mijn stem piept van dikke ellende. Help mij ajb.

Daar denkt zij niet aan, die schoondochter, bij wie ik al wat schoon is, niet in de minste mate aantref. Zij blijft die keffende vrouw, een houw en een snauw is haar blaftaal.

En zo ging het dan ook voorspelbaar mis. Ik was kansloos om te scoren bij de kindjes. Het traject dat voor mij was weggelegd bleek te smal, te glad vooral, compleet oneffen, afgrond gaapte, het pad was een glijpiste. Ik moest op mijn gezicht gaan, door het slijk van de huiskamer, eens die thuis van Vinnie. En zo gebeurde ook, ze werd hypernerveus, begon met haar boze ogen te rollen, door haar neus te blazen, een bries stak op, de eerste sneer vertrok, haar gif stak striemend neer op mij. Doet het pijn?

Die vraag stond blakend in haar blik. Waar een goedmoedige moeder had moeten staan, prijkte gewoon een stuk venijn. Ik was beschaamd, wat een bittere nasmaak van compassie met mijn zoon. Hij had zoveel beter verdiend dan deze hysterisch geëtaleerde miserie. Waar was de inkeer?

Zo werd mijn bezoek een beproeving, ik was afgestraft in mijn afgebroken vaderschap. Ik kreeg als het ware de dood nog eens extra op mijn brood. Een harde smak wraak en als nagerecht een laag vergif en dikke haat. De pijn was gratis voor mij.

Ik belde een hulplijn en dus kwam mijn geliefde aangesneld. Ook zij mocht meteen delen in de tirade van een wild ontketende weduwe, een compleet gemankeerde gastvrouw. Maar de ene vrouw is de andere niet, dat stelde ik ter plaatse vast. Extreme schoonheid en sereniteit werden geconfronteerd met de lelijkheid van losgeslagen misprijzen en diabolische kwaadheid. Help mij Vinnie, om je kleine meisjes wat veiligheid te geven.
Je weet vanuit je onbereikbare hemel dat Nathalie een thuis kan bieden.

De pijn werd naderhand een tikkeltje verzacht door een excuserend sms, daar kwam haar bericht tussen de regels op neer. Ze krabbelde wat terug. Iets in de stijl van ‘volgende keer beter’, het was een moeilijke dag voor haar geweest, dat moest ik begrijpen. Ze is inderdaad wel ruimdenkend, in de zin van alle ruimte voor zichzelf. Voor de vader van haar overleden man is er al meteen geen plaats meer, haar monopolie op verdriet is exclusief. Dat is de kern van haar wezen, haar lijden lijkt soms een zotte kermis, zij slaat en tiert en gaat genadeloos te keer. Ik sta voor haar helemaal vooraan, op de eerste rij, om in de klappen te delen. Dat noteer ik hier toch graag, opdat haar kinderen later zouden weten wat een labiel geval ze was.

Nogmaals, mijn zoon verdiende inderdaad beter. Dat heb ik haar gisteren ook vlakaf gezegd, recht in haar haatgezicht. Ik was zelfs niet kwaad, het was mijn ultiem verweer. Liever geen achterklap, voilà.