De burgemeester van Leuven doet zijn uiterste best om niet mijn vriend te zijn.Hij stuurt mij teleurstellende berichten en zit in mijn portemonnee. Wat mij vooral stoort, is dat hij dubbelzinnige boodschappen overmaakt.

Burgervader Mo is een moslim, mooi zo, leve de diversiteit. Hij kende een gelukkige jeugd in de Leuvense regio en genoot een gedegen opvoeding. Dat getuigt hij zelf in vele media. Ik wil hem graag geloven, ook in de islam mag er niet gelogen worden. Mo huwde met een schoon Vlaams meiske, mijn vrouw vindt haar erg knap. Ik vind mijn vrouw dan weer de knapste. Een kwestie van smaak. Zien wat ik zeg. Ik ken ook mijn plaats, ik ben maar een ‘witte’ man, een baby-boomer en op geen enkel vlak hulpbehoevend. Misschien behoor ik tot een uitstervende soort, want geen klacht komt over mijn lippen, integendeel, ik bewijs lippendienst aan de liefde. Dat weten mijn lezers, ze zijn ook op de hoogte dat de dood langs kwam in mijn leven. Mijn zoon Vinnie is tot in de eeuwigheid verdwenen.

Dat laatste bericht stuurde ik aan de burgemeester ongeveer anderhalf jaar geleden. Ik meldde hem dat ik er een boek had over geschreven, een ode aan mijn zoon. Ik bezorgde Mo een exemplaar van Het Lied van Vinnie. Ik vroeg hem tegelijkertijd of hij vanuit de stad iets kon voorzien om de verspreiding te vergemakkelijken. Het ging bovendien om een actie voor Kom op tegen Kanker.

Ik had dezelfde vraag een maand eerder al gesteld aan blonde Tony,
een kaderlid van de sportdienst in Leuven. De man was voorzitter van de stedelijke triatlonclub toen Vinnie daar nog lid van was. Ik klopte op een avond bij hem aan en gaf voorzichtig het rouwbericht af. Hij vertoonde niet meteen een reactie, keek me haast onbewogen aan. Was het hem misschien te veel geworden? Zat hij met een krop in de keel, een macho met gemankeerde manieren op het sentimentele vlak?
Om de stilte te verbreken, stelde ik hem mijn verzoek tot medewerking.
Den Tony leek plots verstoord en antwoordde mij kort dat zij ‘al zoveel deden op dat vlak’. Daar moest ik het mee doen, zijn interesse voor het heengaan van zijn voormalig clublid was niet overweldigend. Ik droop af. Tot in mijn diepste gemoed bedroefd.

Ik had even tijd nodig om deze dreun te verwerken. Geen steun dus vanuit de eertijdse club van Vinnie. Ik besloot in beroep te gaan tegen dit immorele oordeel, dit striemende vonnis, een postume blamage voor mijn zoon. Ik ondernam daarom de nodige stappen om tot bij de burgemeester te geraken, toch zelf een vader. 

Het antwoord van Mo was uitbundig in de rubriek ‘innige deelneming’.
Proficiat voor het boek, prachtige ode, mooie actie voor het goede doel. Doe zo voort jong, dat was ongeveer de teneur. Mijn hart sprong op van vreugde. Ik verwachtte in de laatste alinea het concrete aanbod van Mo.
Ik dacht nu komt de klapper, toch op zijn minst een stapel boekjes in het stadskantoor. Niks was minder waar, want ‘ik moest begrijpen dat een stad zich zo maar niet kon engageren om elk initiatief apart te promoten’ blablabla enzovoort. Ondertekend met ‘veel succes nog’ en zo verder.

Ik las in een waas van dof verdriet zoiets als: laat ons toch gerust met de dood van uw Leuvense zoon, er zijn nog genoeg sportmannen van onze stadsclubs die wél in leven zijn, daar ligt onze bezigheid. De burgervader was bondig ongenadig.

En dan te bedenkend dat ik eigenlijk voor geen enkele actie een toelating had moeten vragen. In onze westerse landen is er, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de islamitische wereld, vrijheid van drukpers en vrijheid om het geschreven woord te verspreiden. Ik had mijn vraag gewoon gesteld uit respect voor de stedelijke overheid, uit hoffelijkheid, om zeker nergens voor overlast te zorgen.

Om niet te storen met de dood, ze komt meestal ongelegen, zeker voor een triatleet van 36 jaar, papa van twee kleine meisjes, loyaal clublid…

Een tweede opdonder van de directiekliek rond Mo kreeg ik onlangs.
Ik had mijn fiets geparkeerd op het Martelarenplein, in de nabijheid van het station. Het was valavond maar al pikdonker, het goot van de regen.


Op de radio had ik nog net de aanmaning gehoord om zo min mogelijk de bus te nemen, wegens te druk tijdens de spits, te veel volk en vandaar meer kans op corona. Leek me logisch, als goeie burger gaf ik hier meteen gevolg aan. Ik liet de bus voorbijrijden en stapte op mijn fiets, richting trein. Ik zag geen verbodsbord ter plekke en parkeerde netjes mijn rijwiel.

Mijn bestemming was Leest bij Mechelen, daar woon ik bij mijn vrouw.
’s Anderendaags keerde ik weer naar Leuven, ik ging uiteraard rap mijn fiets ophalen. Maar er viel niks op te halen, mijn velo was verdwenen.
Op het politiekantoor van de Grote Markt was niemand op de hoogte, ik kreeg wel een folder, altijd handig om zelf wat opsporingen te doen, zeiden ze.
Na een dik half uur rondbellen vernam ik dat mijn fiets was (op)gepikt door de politie. In opdracht van de stad van burgemeester Mo. Wegens het negeren van verkeersbord elfendertig bij het begin van de verboden zone. Hallo zeg!? Zo kort door de bocht begot. En corona dan? En mijn kwetsbare leeftijd? En vooral mijn stomme burgerzin, godverdomme!

Die stadsgrap kostte me afgerond 60 euro, zijnde een vette afhaaltaks plus GAS-geld. Gemeentelijke Administratieve Sanctie. Om bij te janken!
Mijn verweer werd omstandig behandeld en meteen in de grote vuilbak van Mo gesmeten. Ik kreeg nog de groeten na het betalen van de boete.

Ik kon gelukkig terecht bij mijn geliefde, om dikke brokken verdriet uit te wenen. Mo is gewaarschuwd, de eerste keer dat ze hem tegenkomt, zelfs aan de ingang van de moskee, spreekt ze hem aan. Ze wil niet zijn ogen uitkrabben, maar zijn verstand bijspijkeren door zijn burgemeesterskop grondig te bewerken met haar spontane wijsheid. Ze gaat er haar tanden inzetten, in zijn grimmigheid. Ik weet hoe sterk ze is. Ze heeft sexappeal.

Er volgt nog een onverwachte epiloog, onder de vorm van weer een omgekeerd cadeau, gesigneerd door de stedelijk penningmeester, de rechterhand van de linkse burgemeester. Mijn geliefde en ik kwamen terug van het kerkhof waar mijn zoon nu woont. Bij het binnenkomen van Leuven treuzelden wij een moment, mochten wij rechts de bocht in naar de Bondgenotenlaan of moest het toch rechtdoor, de ring op?

Mijn geliefde wou naar rechts, ik gokte op rechtdoor. Zij boog het hoofd (vol weelderige schoonheid) en volgde graag mijn aanwijzing. Dik prijs!
We waren geflitst door een snode ‘big brother’, het mechaniekje van Mo waarmee hij foute auto’s fotografeert. Toevallig kwam een politiecombi langs, twee ex-collega’s wezen ons op de verkeerde inschatting. Geen nood, oordeelden zij, gewoon rechtsomkeer maken en een nieuwe start. Wij waren opgelucht, de politie was gelukkig nog onze vriend. Maar niet Mo. Want een week nadien mochten wij weer afdokken. Bedrag van 85 euro voor de stadskas.

Dit klinkt als het nieuwe flinkse socialisme. Met een listig tintje MO-slim.