Als ik op een doordeweekse dag rondwandel in Leuven, kom ik al eens bekende koppen tegen, nee ik heb het niet over Rudy Vranckx of Sergio, al bekijkt de eerste me op zijn zure linkse wijze en is de tweede ook tegenover mij van goedlachse volkse aard. Ik heb het echter over doodgewone mensen die ik nog ken van een paar decennia geleden en waar een triest verhaal aan vastzit. Zij herkennen mij niet meer, dat is niet slecht, want ik was in een verder verleden getuige van feiten waar zij op een trieste manier in verwikkeld waren. Het gaat in het ene geval om een oudere vrouw die als jong meisje betrokken was bij een zwaar geval van incest, in het andere geval betreft het een rijpere man die als jongen mijn overbuur was en zoon van iemand die mogelijks een familiaal misdrijf beging. Beide personen zijn heel direct gelinkt aan zwaarwichtige feiten binnen het gezin.

Familietragiek (1)
Toen ik als jonge twintiger stage deed bij de Rijkswacht in onze stad, kreeg ik eens de opdracht om aanwezig te zijn bij een zeer delicaat en erg discreet verhoor van een vader en zijn twee jonge kinderen, een meisje van 14 jaar en een jongetje van 12 jaar.
Hun papa was duidelijk van het marginale type, hij zat er bij in zijn sjofel gevangenisplunje, want hij was preventief gearresteerd wegens betichting van… onzedelijke handelingen gepleegd op zijn minderjarige dochter en zoon.
Het parket had beslist dat een rijkswachter moest plaatsnemen tussen beide partijen om de veronderstelde dader (vader) te weerhouden van intimidatie tegenover zijn vermoedelijke slachtoffers (kinderen). De substituut (v) van dienst was vrij onervaren en ik was een complete nieuweling in het vak. Vooraf had deze jonge magistraat overlegd met mij: hoe gingen we dit aanpakken?
Zij was uiteraard de baas van het gebeuren, maar ze gaf me inspraak: we besloten dat we ons hoffelijk maar kordaat gingen opstellen. Zij ging heel bewust en doelgericht de zéér expliciete vragen stellen – lees: de dingen bij naam noemen, geen omfloerste taal, zelfs met betrekking tot onfrisse intimiteiten, vrijpostige aanrakingen, vertoon van genitaliën etc. – en ik moest zorgen voor de nultolerantie wat betreft het gedrag van de vader. Hij werd verondersteld van mee te werken en zeker zich te onthouden van elke manipulatie door stoute taal of pogingen tot verbale manipulatie van dochter en zoon (die er beiden heel timide bijzaten). Ik had plaatsgenomen pal tegenover de substituut, net in het midden tussen de vader en zijn kinderen, zodanig dat zij mekaar zelfs niet konden zien. Ik wil hier niet verder in detail treden, want als ik alles nu woordelijk uit dit verhoor zou citeren, dan loert er smeuïgheid en sensatie om de hoek.
Maar toch, gewoon even ter zake, de kinderen vertelden schroomvallig van het haast dagelijkse seksueel misbruik door hun (vaak dronken) papa, volgens het scenario dat het dochtertje (minstens!) bepoteld werd door de vader terwijl de jongen meestal moest toekijken (voor de kick van de familiale aanrander). Het gebeurde ook dat zij beiden uit de kleren moesten en dat er handelingen werden verricht die de fysieke integriteit van de kinderen op pijnlijke manier schonden, dus: intieme aanranding. Het dochtertje was op die manier haar maagdelijkheid kwijtgespeeld en het jongetje verloor alleszins zijn onschuld. Het klassieke vaderbeeld lag voor beiden aan diggelen. En de mama dan, zult u zeggen, wel die was veel te druk bezig met… drugs, en prostitueerde zich daarvoor zelfs. De uitleg van de dader was erg simpel: het was toch maar om te lachen, hij wilde zijn kinderen ook eens een pretje gunnen… ach dat was allemaal zo erg niet… Zijn aanhoudingsmandaat werd zonder aarzelen of verdere discussie verlengd. Ik heb de man nadien nooit meer teruggezien, maar… de dochter wel, ik kom haar soms nog tegen in de binnenstad. Ze lijkt me een wat voortijdig uitgeleefde (of gesloopte) vrouw, met steeds die afwezige en lege blik, met haar lange grijze haren die stijf in vettige slierten staan, haar uitgezakte lichaam gedrapeerd in hippie-achtige losse voddenkleren (in een onhandige poging om er toch wat aantrekkelijk uit te zien, of om nog iets te redden?), aandoenlijk vooral. Ze ziet er intriest en dodelijk vermoeid uit, ze werd voor de rest van haar leven gekraakt en vernield in haar prille puberjaren, het lustspel van de vader nekte haar.

Familietragiek (2)
Toen ik nog in Kessel-lo woonde, had ik aan de overkant van onze straat een lieve buurvrouw die nooit om een babbeltje verlegen zat, ze lachte ook altijd. Opvallend aan die opgewekte dame was dat ze extreem… krom liep, met haar (indertijd) 50 jaar leek ze wel aan het oude-vrouwtjes-syndroom te lijden. Haar lichaamshouding was per definitie naar de grond gericht, wat haar nooit belette om vrolijk op te kijken, ook naar mij. Ik heb lange tijd gedacht dat ze een natuurlijke handicap had, maar neen, legde een andere buurvrouw me later uit: ze is, euh, eens uit het raam op het eerste verdiep gevallen toen ze de ruiten aan het kuisen was. Maar ik had bij deze informante toch een lichte aarzeling vastgesteld, op mijn zwijgende maar vragende blik gaf ze iets meer prijs: enfin, het zou ook kunnen dat ze toen bewust… naar beneden is gesprongen. Ai, wat was me dat, maar het eindigt nog straffer: ze had zoveel jaar geleden, toen ik daar nog niet woonde, een nogal gewelddadige echtgenoot. Die kerel is er nog van beschuldigd geweest dat hij zijn vrouw bij een verhitte discussie uit het venster had geduwd. Vandaar zou dus die kromme rug kunnen gekomen zijn, evenwel, de vermoedelijke dader werd vrijgesproken wegens “gebrek aan bewijzen”. Het was een geval van woord tegen woord geweest.
Het betekende wel meteen het bruuske einde van hun huwelijk, en… de vrouw besloot de rest van haar leven te blijven lachen, verlost van die ellendeling (veronderstelde ik). Maar er was ook nog een kind, dat was stille Benjamin. Ik kom hem nog regelmatig tegen in de stad, hij kent mij niet meer, of hij doet alsof, geen probleem, dat is zijn goed recht. Benjamin was een jongen die nauwelijks sprak, hij speelde ook niet met de buurjongens. Hoewel hij haast permanent buiten vertoefde, en wat was daar zijn bezigheid: aan één stuk door sigaretten roken en voor zich uit staren. Hij keek niet op of niet om, en nog zo’n raar detail: Benjamin had winter en zomer zijn zonnebril op. Dat verstrakte zijn mimiek nog, hij was zowel de nozem als de nomade van zijn eigen bestaan. Maar daarom herken ik hem ook zo goed als ik hem tegenkom, die wandelende zombie. Ik kan moeilijk een plot verzinnen aan dit korte verhaal, dit relaas heeft een open einde. Misschien is Benjamin nog steeds op zoek naar het geheim diep in zichzelf, via dat mogelijke misdrijf van zijn pa op zijn ma. Voorlopig zie ik hem niet krom lopen, noch omhoog kijken of de oplossing eventueel uit de hemel zou komen vallen en zijn levenslange rouw met een harde klap ontnuchterd wordt.

Dat zijn zo van die verdriet-gezichten – waar gekraakte en verslagen mensen achter zitten – die ik regelmatig tegenkom in de stad. Ik zie hun “tristesse” en hun dikke pakken tegenslag die ze meedragen. Ook wat aftandse hippe kleren of een giga grote zonnebril kunnen zulk leed niet camoufleren. Dat noteer ik.