Ik had jarenlang een vaste kleermaker in Leuven, hij had zijn zaak gewoon om het hoekje. Het was een oerdegelijke vakman, een harde werker ook, hij vatte zijn dagtaak stipt om 8 uur ’s ochtends aan en hij sloot zijn winkel niet voordat het 12 uur later was. Soms zag ik hem nog bezig achter zijn vitrine als het reeds naar 21 uur of zelfs later ging. Ik wist dat hij daarna nog met een late trein naar zijn woonplaats in Brussel moest sporen. Respect dus voor zo’n kerel, bovendien van vreemde origine, hij sprak onze taal slechts moeizaam, maar genoeg om zich verstaanbaar te maken op zijn vakgebied en om zich zeker niet in het zak te laten zetten als het op betaling en centjes aankwam. Omdat ik reeds meer dan tien jaar klant bij hem was, probeerde ik op zekere dag toch wat persoonlijker tot hem door te dringen. Ik was eigenlijk best benieuwd naar de mens achter de vakman. Hij reageerde nog gereserveerder dan bij de normale afhandeling van (bijvoorbeeld) een broek waarin hij een nieuwe rits had gestikt. Tja, met mondjesmaat vernam ik dat hij van Armeense afkomst was en… dat volstond voor hem, waarna hij het gesprek afrondde met te zeggen dat de reparatie zoveel kostte en dan: dag meneer! De laatste keer ging ik bij hem langs om een klein mankement aan een leren vest te laten herstellen. Het betrof toevallig een kledingstuk van een ontwerper dat ik voordelig op de kop had kunnen tikken. De Armeniër zegde de uitvoering van de opdracht niet meteen toe, hij
bestudeerde mijn trofee van Bikkembergs langdurig en beweerde dat het niet simpel ging zijn.
Hij zou wel proberen, maar het succes was evenwel niet gegarandeerd… dat is dan 35 euro besloot hij plots, op voorhand te betalen. Ik schrok, dat was tegen zijn gewoonte en hij kende me toch, al meer dan 10 jaar.
Zijn gezicht bleef echter ijskoud, afdokken jong! Tot mijn schaamte heb ik hem dat bedrag betaald, wel bang van in het zak gezet te worden, maar twee weken later (ook verdacht lang) mocht ik mijn vest gaan ophalen. De herstelling was quasi-perfect, maar niet zo meesterlijk dat mijn geliefde het niet zelf zou gekund hebben (dat was toch haar spontane mening, tegelijkertijd vanuit haar verontwaardiging voor die brutale voorafbetaling). Ik heb wel aan onze (in alle opzichten) vreemde kleermaker uitgelegd dat zijn handelswijze tegen de Belgische wet indruiste, een eventueel voorschot mag nooit gelijkstaan aan het totale eindbedrag. Tja, dat is uw probleem, antwoordde hij me vlakaf, ik ga door met te doen wat ik doe en ik vaardig hier mijn eigen regels uit, de pot op met die wetten van uw land. Oké, repliceerde ik, dan ziet ge mij niet meer terug. Hij keek zelfs niet meer op, onnozele Belg, zag ik hem kil en onverschillig denken.
Die gast veegde gewoon zijn gat aan integratie, enkel ons geld telde voor hem. Als mens (die zelfs een van zijn betere klanten was) kon ik ter plekke doodvallen voor die gemene Armeniër. Ik bedenk hierbij bedremmeld en triest – én vooral flink bedrogen in mijn uitgestoken hand naar allochtonen – dat vakmanschap één ding is, maar wat betreft aanpassing en assimilatie mag de lat toch zoveel hoger gelegd worden: zonder dat arsenaal aan beschaving gaan we versneld bergaf in België.
Vanuit Leuven sporen we soms naar Antwerpen. Van onze stad met een moslimburgemeester naar een metropool die vol zit met moslimbewoners. Op zich mag dat geen probleem zijn, zolang we allemaal het spel maar democratisch spelen en dat begint met respect voor onze gemeenschappelijke wetgeving. Het was niet echt om voorgaande stelling uit te testen, maar bij aankomst in Antwerpen- Centraal besluiten we om één meeneem-koffietje te tanken aan zo’n kleine en keurig uitziende shop, waar een uitheems meisje met hoofddoek de dienst verzekert. Zij schenkt ons haar liefste glimlach, wij plaatsen vriendelijk onze bestelling en zij zegt zonder verpinken, in één tijd: dat is dan 3 euro. Wij aarzelen even, wetend dat we wettelijk slechts moeten afrekenen nadat onze drank geserveerd is, maar halen dan toch de nodige centjes uit onze portemonnee… nee, onderbreekt de Noord-Afrikaanse verkoopster ons aanbod, ge moogt
enkel met de bankkaart betalen. Euh, ook dat is onwettig, proberen wij, maar de moslima blijft staalhard tegen ons aan lachen en ondertussen bougeert ze niet, ze zet geen stap naar haar koffiemachine.
We beslissen (wat overweldigd) om voor de warme drank te kiezen in plaats van voor hetze en heisa te zorgen in een stationsbuurt waar het zwart ziet van de exotische types die mekaar allemaal blijken te kennen. Wij – met ons gelijk van de wet – zijn er helaas in de minderheid. Wij mokken maar dokken toch af, op voorhand, met de bankkaart, deze koffie kent alleszins zijn morele prijs. Terwijl de gekleurde serveuse onze drank prepareert – langzamer kan echt niet, ach een detail – bedient ze ander cliënteel dat haar blijkbaar beter bekend is. Het betreft een jonge papa met zijn twee dochtertjes, er wordt in een soort Arabisch vrolijk over en weer getaterd. Het drietal bestelt warme wafels met slagroom en chocoladesaus. Terwijl wij van onze koffie nippen, stellen wij vast dat hier geen voorafbetaling geschiedt, als de man zijn bankkaart bovenhaalt, wuift de bruine dienster die geste met een handgebaar en een knipoog weg. Vriendjes hoeven er niet te betalen, lezen wij overduidelijk af aan haar lichaamstaal. Het is gewoon een rondje op kosten van de (afwezige) baas, misschien een onnozele Belg, zoals wij, erg toch.
De zeden en gewoonten van allochtone mensen sporen niet altijd met die van ons, dat kan nog beteren, maar het zal denkelijk nog niet voor morgen zijn. Enfin, wij blijven het allerbeste verhopen, terwijl wij in afwachting naar een vast adres in Becquevoort afreizen, waar er een typisch Vlaamse brasserie is. Wij gaan er om de paar maanden nog eens op zoek naar wat thuisgevoel.
Niet dat de uitbaters er steevast uitblinken in hun onberispelijke dienstverlening, want de aangeboden marchandise lijkt er ons vaak tweedehands – met fletse crème fraîche en surrogaat taart, soms wat stof op tafel en personeel in ’s werkendaagse kleren – maar alla, tenminste ik kan er nog eens mijn eigen taal spreken en Nathalie verstaat mij, wat toch het voornaamste is, tot die laatste keer…
We kwamen binnen in de brasserie en liepen door naar het terras om daar relax in het zonnetje te zitten en te genieten van een drankje. Eventueel er een gebakje bij te nuttigen als de gepresenteerde waar ons vers genoeg leek, wat in het verleden niet altijd het geval was. Maar ik geef grif toe: ik ben erg ruimdenkend en ook vergevingsgezind tegenover eertijdse dorpsgenoten, in dit geval een koppel van ongeveer mijn leeftijd. De patron van de zaak was nog enigszins vriendelijk, hij had een snel babbeltje voor ons over en nam de bestelling op. Wij waagden toch maar onze kans met de taart van de dag. Maar al rap wisten wij dat deze beslissing de verkeerde keuze was, wij proefden geen smeuïgheid maar een baksel van minstens gisteren. Niet getreurd, een hartelijk gesprek kan veel goed maken, maar dat was ons evenmin gegund want de baas voerde aan één stuk door een drukke conversatie met een zogezegde kameraad die binnen zat. We kregen de indruk dat we enkel maar van Leuven waren gekomen om hier te betalen voor een plekje in de zon… dat we bij ons thuis op ons eigen terras
ook hadden, gratis bovendien. Toen verscheen de dame des huizes, de dikke matrone van het dorpse koffiekot, zij naderde ons tot op twee meter. Wij maakten ons klaar voor een beleefde begroeting (we kenden mekaar vrij goed, al bijna 50 jaar), maar die madam zei helemaal niks, zij keek gewoon maar norsig over onze hoofden heen en legde zich toen helemaal toe op twee bezoekers die pal in onze buurt kwamen zitten. Wij zaten er bij en keken ernaar, verbluft en verbijsterd om zoveel onbeleefdheid, meer nog: nurksheid en brutaliteit.
Op zulke heikele momenten kunnen Nathalie en ikzelf mekaars gedachten instant lezen: wegwezen, en snel! Wij hebben zonder er nog veel woorden aan vuil te maken onze rekening aan de toog betaald, allebei met hetzelfde gedacht: in dit mottig huis zien ze ons nooit meer terug. Wat een affront om door “eigen volk” zo als stront (sorry) behandeld te worden. Vooral ik voelde me als een vreemdeling in mijn gewezen regio, een afgewezen emigrant die precies getackeld wordt omwille van (in hun beleving) wat stadse manieren, die niks anders dan wellevendheid zijn.
Ook in onze zo geprezen autochtone omgeving kan men als “expat” misprezen worden, pijnlijk toch, wat eens de heimat was, wordt nu een vreemd land. Toch één grote troost, wij voelen ons als eeuwige geliefden gelukkig thuis bij mekaar.
Geen enkele buitenwereld verandert daar iets aan.
