Nathalie en ik gaan dagelijks van de grond, het geschiedt op periodieke basis, uiteraard zonder pottenkijkers, want wij zijn niet van de straat hé. In aseksuele taal wil dat zeggen: wij leven bijna continu in de wolken, ongeveer 100 m hoog, in ons loftje op een 9de dakverdiep. Het licht en de lucht zijn onze comfortabele huisgenoten, we hebben zelfs geen zicht op de wereld beneden ons, wij zien enkel de hemel, met de zon, de maan en de sterren, een grandioos en gratis kapitaal. Wij zijn van plan om deze rijkdom voor de rest van ons nog lange liefdesleven niet te verkwanselen. Hebbes!

Maar af en toe dalen wij neer ter aarde en maken wij kennis met de meestal vredelievende mensen uit onze buurt. Dat zijn nu reeds in mindere mate Belgen, laat staan Vlamingen, en de jongeren beginnen de ouderen te overklassen, maar ook: allochtonen zijn ruimschoots talrijker dan autochtonen. Dat is een harde maar onmiskenbare vaststelling, de gewoontes en tradities van ons volk worden aangetast. Op zijn minst wij beiden (Nathalie en ik) bieden hier ter plekke nog weerstand, ondanks een laks en links stadsbestuur, ondanks de onverschilligheid van de meeste buren, waaronder landgenoten, want het kan hen precies niet veel schelen dat onze duur verworven welvaartstaat stillekensaan naar zijn bodem zinkt. Maar als we finaal kopje onder gaan, in de goot van de beschaving vallen, dan hebben we dat vooral aan onszelf te danken. Wie niet wil vechten voor deze historisch (zwaar bevochten) rechten, zal sowieso door de geschiedenis weggevaagd worden. Hopelijk zal u niet verschieten dat dit een raar soort troost is voor ons, wij zijn als koppel zo realistisch mogelijk: het leven deelt geen onverdiende cadeaus uit, dus een verrassing zal die ondergang voor ons niet zijn. Voilà.

Begin deze week maakte ik me klaar voor een fietsritje. Terwijl ik buiten mijn rijwiel oppik, zie ik een duidelijk uitheemse jongeman zitten, nee eerder liggen, op een bankje voor onze blok. Hij lijkt me een jaar of 20, netjes en zelfs modieus gekleed, hip gekapt en op dure sneakers. Hij speelt ogenschijnlijk wat verveeld met zijn blitse smartphone, ik hoor hierbij volksvreemde gezangen die misschien uit een moskee komen, het was zeker niet de Vlaamse hitparade. Ik voel hoe die kerel mij scheel en schuw maar erg alert in het oog houdt. Net als ik wil vertrekken, zegt hij plots met een opvallend gespeelde hoffelijkheid: pardon monsieur, en hij vraagt of ik Frans spreek. Ik verschiet toch wat. Ik hoor hier iemand die een vrijwel accentloos Frans hanteert, terwijl hij volgens mij van Afghaanse of Irakese afkomst lijk te zijn. Is dit een getalenteerde student die hier op uitleenbasis mag studeren, of een politieke vluchteling van het duurdere soort die ondergedoken leeft in België tot wij zulk “ Frans talent” aan het werk kunnen zetten, ook voor ons profijt? Niks mis mee dan.
Maar die gast gaat onverstoorbaar verder, er niet op lettend dat ik niet bevestigend heb geantwoord heb op zijn vraag. Met zijn allercharmantste glimlach vraagt hij mij of ik hem wat… geld wil geven, of anders: eten mag ook. Hij blijft mij daarbij zeer minzaam aankijken en ik kijk nogal verbijsterd terug. Dan zie ik de twijfel op zijn gezicht sluipen, hij wil zich een houding geven en tast in zijn chique heuptasje, hij plukt er een pakje Marlboro uit en steekt nonchalant een sigaret op met een nep-zilveren aansteker waarop de helle slogan Free Palestine flikkert.

Toen ben ik in een “franse coleire” geschoten, ik heb hem met beheerste woede ferm van antwoord gediend. Ik vond de perfecte woorden in onze tweede landstaal om hem in een kort betoog uit te leggen dat er zich pal om het hoekje een warenhuis Spar bevond waar men zeer dringend een poetshulp (m/v) vraagt. Ik heb mijn tirade niet moeten herhalen, met zijn sigaretje los in de mond bungelend is hij opgestapt, nadat hij eerst zijn lichtjes exentrieke zonnebril had opgezet en een petje van Calvin Klein met de klep in de nek. Joodse mode, dacht ik met binnenpret, terwijl hij op zijn duizend gemakkken wegslenterde, regelrecht de andere richting uit. Hij liet de Spar en het werk rechts liggen, op jacht naar linkse centen.

Dit onverkwikkelijke tafereel was gade geslagen geweest door een ploegje werkmannen die aan de overkant ergens nieuwe ramen aan het steken waren. Hun baas is nog op mij afgekomen om te zeggen: goed gedaan meneer, en u mag weten dat ik helaas geen nieuwe werknemers kan vinden. Wij komen echt handen te kort in onze branche, voor een job die eigenlijk ongeschoold is en op een paar weken kan aangeleerd worden. Dus moeten onze klanten wachten en lopen de uitkeringen voor die nietsnutten door. Het waren de letterlijke woorden van die duidelijk verbolgen ondernemer, een van zijn arbeiders riep nog: toch spijtig dat we niet mogen kloppen op zulk crapuul. Die kwaaie opmerking laat ik voor rekening van die spontaan boze man, zijn  werkmakkers betuigden echter luidkeels hun bijval. Ik zweeg, met de nodige zelfbeheersing, en stapte op mijn fiets.
Ooit kom de dag nog (dacht ik) dat er straatgevechten ontstaan. Dat zal de strijd van Vlaanderen zijn… om te blijven bestaan.

Bij terugkeer van mijn ritje later op de dag was “onze” bank weer bemand: door een raar soort gendervolk, uiterlijk toch, het waren allemaal jonge kerels, in lange kleren, ze vonden het plezant om niks te verrichtten, behalve lameren en lanterfanten, en opeens viel mijn frank: het was vrijdagnamiddag, ramadan, de moskee-equipe zat klaar om uit te rukken naar hun massaal gebed (kop omlaag en kont omhoog), wars van alle mogelijke werk of school. Hoe kan dat, hoe lang nog? Wat een arm land zijn wij toch.