Ik maak in de voormiddag een fietstochtje naar het nabijgelegen Sportkot in Leuven, niks beter om wakker en fit te worden dan rond te peddelen tussen sportende mensen, waarvan de meerderheid studenten zonder ochtendkater zijn, het bestaat nog. Ik maal rustig een paar kilometers af en kijk tegelijk verwonderd naar mezelf: ik behoor tot een minderheid, niet zozeer omwille van mijn leeftijd en mijn blanke ras, noch omwille van mijn taal (ik spreek Vlaams, ook tegen mezelf) maar vooral omdat ik in die omgeving haast als enige nog met een ambachtelijke fiets pedaleer. Haast iedereen flitst en vliegt er op een elektriek vehikel.
Ik heb ook geen oortjes in noch een koptelefoon op en ik tokkel zeer niet op mijn smartphone terwijl ik rij, ach als het dat maar is.
Want er bestaat erger, ten bewijze: op zeker ogenblik hou ik halt aan het paddelterrein, even verpozen en naar de kletsend & pletsend kloppende jongens en meisjes kijken. Er zijn vier speelvelden, op de meeste wordt er gemengd (m/v/x) gespeeld, het niveau is nogal ondermaats, maar dat is geen punt, niet voor hen en niet voor mezelf. Ik ben een neutrale passant en stop enkel voor wat ontspanning… tot ik uit mijn dromerige aanwezigheid word gerukt door een ogenschijnlijk genderneutraal paddelend wezentje (van het geslacht x) dat me bruusk toeroept: waarom staat u daar zo te kijken meneer?
Ik schrik me rot, ik stel vast dat de brulbazin hiermee even het spel stillegt van haar drie vriendinnen (v) en mij met uitdagende blik blijft aankijken. Haar opstelling is die van een politieagent die op het punt staat een zware bekeuring uit te schrijven. Ik sta perplex, ik ben compleet sprakeloos. Ik bevind me hier in een vrije ruimte voor het publiek, er komen nog andere passanten langs, bejaarden met een wandelstok, dames met hun hondje, jonge mama’s met de kinderwagen, kuierende moslima’s netjes achter hun man, veel bruin en zwart volk, ook een zeldzame tulbandaziaat, dus een erg alledaags en perfect gediversifieerd allegaartje van voorbijgangers, zoals dat toch zo graag gepromoot door de propagandadiensten van de sportcampus. En één van hen ben ik, een blonde en blauwogige jongen van een zeker
leeftijd. Ik zie er waarschijnlijk uit als een semi-professionele gepensioneerde en ik ben proper gewassen en gekleed, uiteraard met mijn zonnebril op om niet herkend te worden, maar dat gebeurt toch: ik ben in de ogen van de manmadam het prototype van de “witte” boosdoener. Ze wil in mij per se de infiltrant zien die haar belemmert in haar pose “om zichzelf” te kunnen zijn. Ze voelt zich op een eigenzinnige manier zwaar aangevallen in haar rare gendereigenheid (haar ingebeelde identiteit) en, omdat ik het vertik om haar een antwoord te verschaffen én tegelijkertijd onverstoorbaar naar haar aanstellerig theater blijf staren, besluit ze bruusk om het spel definitief stop te zetten. Ze maant haar medespeelsters dwingend aan om een crisisvergadering bij het net te houden, terwijl ze doorgaat met haar oogbliksems richting van de boosdoener, de westerse boomer die ik ben, op een normale fiets, met een gezonde belangstelling voor al het moois dat hier eventueel te rapen valt (ik raap zelfs ver over de draad gekletste ballen op en gooi ze gedienstig terug), ik kijk – als ex-atleet – uiteraard naar de sportieve hoogstandjes, ach zo zeldzaam, en tracht dat te compenseren met een natuurlijke interesse voor schoonheid in het algemeen. Dat mag uiteraard van vrouwelijke aard zijn, ik kijk niet naast al wat zich aan bevalligheid kan aandienen. Mijn hetero-sensoren werken nog steeds perfect, mijn echtgenote weet dat en prijst mij daarom.
Maar daar ter plekke had ik te maken met een mormel van jewelste. Ze had in haar masculien aangezwengelde lelijkheid mijn lichte aandacht voor haar iets fraaiere vriendinnen gecapteerd en dan kwam haar hakbijl van misprijzen op mij neer. Ik werd mentaal en moreel gecastreerd: ga weg, gij witte mislukkeling, vieze voyeur die ge zijt, dat was de boodschap. Het werd vertolkt door de lichaamstaal van een personage dat buiten het slappe paddelgeklungel en de platte ballenpresentatie per definitie als missie heeft: racisme weren, discriminatie aanklagen en tegen de vrede op Gaza betogen. Zo’n moreel superieur type, steeds gereed om in de slachtofferrol te stappen en overal ten volle bereid om zich met overgave gedupeerd te voelen, om zelfs met een nauwelijks bedwongen woede tegen de argeloze mannelijke toeschouwer te roepen: wat staat gij daar te doen jong? Omdat ik doorging met niet te bougeren, smeet zij plots koleirig haar raket op de grond en verbood aan de rest van het gezelschap om verder te gaan met het spelletje, dat echt geen opwindend ballenballet was geweest. De drie anderen, modale meisjes met een greintje seksappeal – bescheiden, maar toch – volgden gedwee het bevel van de gendersergeant.
Het was een lelijk schepsel dat mislukt was in haar studies om een dame te worden, voor diva of vamp was ze nog minder in de wieg gelegd.
Ze had zich uiteindelijk vastgeklampt aan het enige wat nog haalbaar was: een barse man worden, om mee te tellen in de statistieken en tabellen van de hedendaagse seksloze wezens die gulzig mee opstappen in de rangen van inclusie. Een bewust non-erotisch clubje dat klauwt naar een normale man die houdt van vrouwen, naar mij bijvoorbeeld, omdat ik zelfs in het lelijkste mensenmodel nog naar een tikkeltje glans en pracht zoek – desnoods aan de achterkant van hun al dan niet gebalde boezem – om er mogelijks een spoor van goedheid aan de binnenkant te vinden. Maar ook dat mag niet meer: ze snijden verbaal onze ballen af. Dat zijn de nieuwe tijden, zelfs esthetisch begeren wordt verketterd, er lopen opeens zoveel heksen rond, opgepast jongens!
Op het Sportkot zie je overal pamfletten en pancartes met de universitaire huisslogan: verken de wereld en ontdek zo jezelf. Ik ben waarschijnlijk te dom om dat te snappen, want ik dacht altijd dat net het omgekeerde de morele stelregel moest zijn: doe eerst aan wat introspectie, geef je over aan de nodige zelfreflexie, kijk desnoods via een blik in de spiegel naar je diepste innerlijk en treed dan – met de opgedane psychologische kennis over je ego – zoveel slimmer en sterker de grote buitenwereld tegemoet. Ik vergis me blijkbaar met deze stelling. Jonge mensen toeteren nu liever ongefilterd en ongecensureerd “met boos boegeroep” over “de subjectieve smurrie” die hen niet bevalt aan willekeurige passanten.
Ze blameren prioritair hun omgeving met strikt egocentrische criteria, de diepere kijk op hun binnenwerk volgt in het beste geval erg selectief, dat stel ik overal in dat woke-gekleurde studentenmilieu in Leuven vast.
Als blanke niet meer zo jonge man kom je hen perfect van pas: als eeuwige zondebok, wij worden niet meer als volwaardig erkend. Dat is hun alternatieve verkenning van onze wereld. Zomaar stilstaan bij hun spel, zelfs zonder vragen, is zondig geworden. Zelfs het interne mentale genot wordt verketterd, hun Boze Oog volgt en veroordeelt ons, zo ervaarde ik alleszins dat complete misprijzen van een chagrijnig jongensmeisje voor mijn integere manspersoon. Ik fietste wat triestig huiswaarts, maar… daar werd ik opgevrolijkt door de sexy troost van mijn trouwe en soms lekker onkuise vrouw. Wij zijn de laatste generatie van de genieters, daar leggen we ons meteen bij neer.
