Traditioneel komen de liberale en progressieve stromingen in het Westen uit een antiklerikale traditie, die zoveel mogelijk de invloed van de Rooms-Katholieke Kerk en het christelijke geloof op de politieke besluitvorming willen beperken. De scheiding van kerk en staat is voor hen niet genoeg, in naam van de ethische diversiteit, vrijheid en individuele zelfbeschikking wordt elke vorm van religieuze inmenging in het maatschappelijke en politieke debat geweerd.

Dit libertarisme leidde vanaf de jaren tachtig enerzijds tot een rechts verlichtingsfundamentalisme (met als stokpaardje de neutraliteit van de overheid) uit afkeer voor de groeiende aanwezigheid van de islam in onze contreien en anderzijds tot het bejubelen van de multiculturaliteit (en dus multireligiositeit) ter linkerzijde om het eigen ethisch en cultureel relativisme (maar niet dat van de ‘nieuwkomers’) te verantwoorden. Daarnaast kwam er een opbod aan onvervreemdbare rechten voor allerhande groepen in naam van de ‘gelijkheid’, waarvoor eerst de traditionele samenlevingsstructuren moesten worden ontwaard en daarna afgebroken.

Ethisch slecht en dus een vijand

De bewonderenswaardige poging van de progressieve democratiseringsgolf na de Tweede Wereldoorlog om onze samenleving op een meer gelijkwaardige en seculiere manier te organiseren, veranderde echter al snel in een onverdraagzame vorm van seculier religieus denken. Door de radicale morele zekerheid (en hypocrisie) die alleen maar veroordeelde, het niet accepteren en zelf willen verbieden van andere meningen, en de aversie voor kritiek, maakte de bevrijdende twijfel plaats voor de eigen verstikkende waarheid. Politiek rechts was niet alleen meer verkeerd of een politieke tegenstander, maar ethisch slecht en dus een vijand.

Sinds de jaren negentig groeide de liberale en progressieve overmacht gestaag, zowel in de media als in de  politieke besluitvorming. De wetsvoorstellen tegen (online)haatberichten, de steeds striktere antidiscriminatiewetgevingen, de invoering van regelrechte stasitechnieken (mystery calls) om het gedrag van burgers te sturen, de (soms gewelddadige) herwaardering van de raciale identiteiten door o.a. Black Lives Matter (BLM), de verplichte quota (‘streefdoelen’) voor minderheden langsheen positieve discriminatie, etc. maakten de samenleving en de burger niet alleen onvrijer. Ze transformeerden de overheid in een soort van radicale seculiere kerk.

Progressieve radicalen

De voortdurende beschuldigingen naar burgers, groepen, bedrijven of bewegingen in de (sociale) media vanuit liberale en progressieve hoek dat ze racistisch, homofoob, seksistisch, etc. zijn, als een soort inquisitie tegen ketters, hebben een steeds groter verstikkend effect op het maatschappelijk debat. Wie vandaag als onderneming geen diversiteitsconsulent heeft, en niet duidelijk en regelmatig hierover communiceert, komt al snel in het vizier van liberale en progressieve radicalen die van deze problematieken een lucratief verdienmodel maakten en er dus ook alle baat bij hebben dat ze of nooit opgelost raken, of dat er steeds nieuwe bij komen.

Wanneer de wet ideeën bestraft in plaats van gedrag, neemt de wet de rol aan die behoort tot de religie, en niet die van de politiek. De wet bepaalt wat goed en slecht gedrag is, maar niet wat de morele waarheid is. Het denken en spreken moet vrij zijn, al mogen hier ook grenzen aan gesteld worden met betrekking tot het oproepen tot geweld, laster en eerroof (wat vandaag trouwens de facto niet gestraft wordt), het handelen niet. Totalitarisme is echter de politieke claim om een politiek-utopistische realiteit te creëren, waarbij de onzuiveren fysiek en/of mentaal worden geëlimineerd, zowel uit het verleden, heden als uit de toekomst van de samenleving.

Onbuigzaam, angstig, wraakzuchtig

Terwijl het christendom een onderscheid maakt tussen het transcendente en het seculiere (‘Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.’ Matteüs 22,15-21) vervalt dat onderscheid nu volledig bij de liberale en progressieve radicalen.  Een liberale en progressieve radicale samenleving is dan ook zonder genade voor de ‘zondaars’. Ze is onbuigzaam, angstig, wraakzuchtig en verstoken van gevoel voor humor. Feilbaarheid en barmhartigheid zijn echter essentiële (christelijke) concepten van een vrije maatschappij, omdat ze erkennen dat we allemaal onvolmaakt zijn. Ze stellen ons in staat om openlijk een vrij gesprek aan te gaan, fouten te maken en te erkennen.

Maar terwijl conservatieven de legitimiteit van hun politieke autoriteit ten dienste stellen van de complexe christelijke, spirituele en culturele wortels die hun land kenmerken, door het gebruik van bepaalde symbolen en rituelen, misbruiken progressieven deze autoriteit om alles te ‘cancelen’ in naam van hun utopisch, absoluut en seculier aards paradijs. De ongebreidelde (en modieuze) cancelcultuur, onder de vorm van een soort neo-iconoclasme, en de (zelf)censuur van ongemakkelijke en kritische uitspraken of grappen in de media, door nota bene mensen die de diversiteit hoog in het vaandel dragen, deden reeds menig ironiemeter ontploffen.

Boetedoening

Het goed- of afkeuren van zondige gedachten valt binnen de sfeer van de (religieuze) moraal, niet binnen die van de wereldlijke macht‘Vergeef me Vader, want ik heb gezondigd’, wordt uitgesproken voor een biechtvader die de macht heeft om de zonden te vergeven (‘Ik ontsla u van uw zonden in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.’), en niet voor een wereldlijke rechter. Ook de (sociale) media-rechtbank, waarbij sommigen online reeds processen en veroordelingen maken zonder goed en wel de feiten te kennen, beslissen niet wie of wat goed of fout is, noch wie wel en niet juridisch moet veroordeeld worden.

Degelijk journalistiek werk vraagt een grote intellectuele inspanning, ketters veroordelen in de opiniebijdrages, en zo de eigen ingebeelde morele superioriteit tonen, niet. Sommige journalisten gaan nog een stapje verder, zoals MO*-hoofdredacteur  Jago Kosolosky in Knack.be (‘Waarom ik een witte man ben (en zo genoemd mag worden)’, en doen als ‘witte’ man voortdurend aan boetedoening voor hun huidskleur en hun ‘aangeboren’ privileges. Deze openbare zelfkastijding door mensen uit de geprivilegieerde klasse kreeg vorm in de communistische dictaturen, en wordt vandaag overgenomen door de radicale progressieven in een raciaal-marxistisch sausje waarbij de huidskleur bepaalt tot welke klasse men behoort.

Collectieve zonde

Terwijl bij het communisme de erfzonde vertegenwoordigd wordt door de kapitalistische uitbuiting, wordt die bij liberale en progressieve radicalen nu de huidskleur. De zonde is bij beide niet persoonlijk maar collectief (of ‘structureel’), en valt daarom op de hele klasse of samenleving. Voor de verlossing van deze erfzonde moet er een zoenoffer gebracht worden, en vandaag is dat de blanke of ‘witte’ man. Terwijl liberale en progressieve radicalen enerzijds strijden tegen vooroordelen en racisme ten opzichte van minderheden omwille van de rotte appels in hun midden, en wijzen op de individuele verantwoordelijkheid over de eigen daden, passen ze echter een raciaal identitarisme toe op de ‘witte’ meerderheid.

De nog radicalere progressieve visie onder de noemer ‘intersectionaliteit’, of de samenvloeiing van meerdere ‘onderdrukte’ identiteiten in hetzelfde individu, leidt dan weer tot een onderlinge strijd die radicale ideologieën, vroeg of laat, altijd kenmerkt. Zo scoort een gehandicapte homoseksuele Afro-Amerikaan bijvoorbeeld meer progressieve ‘punten’ dan een moslimtransseksueel, al verdient die op zijn beurt meer aandacht dan een blanke lesbienne. Een ‘witte’ heteroseksuele man als Jago Kosolosky staat dan weer ergens helemaal onderaan in het intersectionele klassement, waardoor tevens zijn boetedoening omgekeerd evenredig moet zijn.

Progressieve rituelen

De visie van de politiek als een geseculariseerde religie maakt dat er altijd iemand berouw moet hebben over zijn geboorte in een klasse, in een ras, in een bepaalde beschaving. Het berouw moet dan getoond worden met symbolische gebaren en rituelen, zoals de kniebuiging, waarmee men zijn zonden herkent en zich onderwerpt aan de verlossende actie van de onderdrukten. Terwijl men vroeger voor God knielde, heeft de liberale en progressieve radicalen dit religieus gebaar zich nu als politiek wapen toegeëigend. Het is niet verwonderlijk dat veel gelovige Afro-Amerikanen dan ook weigeren hier aan mee te doen, omdat ze alleen voor het transcendente (God) knielen, en niet voor een politiek-ideologische visie op de samenleving.

Wanneer ‘witte’ burgers zich steeds vaker gedwongen voelen tot zwijgen, tot boetedoening en belijden van hun raciale erfzonde, en tot het volgen van progressieve rituelen, op straffe van sociale en economische uitsluiting, kan men hen echter bezwaarlijk ‘vrij’ of ‘gelijkwaardig’ noemen. De liberale en progressieve stromingen, die zelf uit een bevrijdende antiklerikale traditie komen, zijn ironisch genoeg verworden tot een radicale seculiere kerk die langsheen een autoritaire en allesoverheersende overheid het ware geloof verkondigt en wil opleggen aan heel de samenleving. Voor conservatieven daarentegen is politiek niet hetzelfde als religie of cultuur, maar wel de emanatie ervan, en bepalen niet de overheid maar wel de heersende waarden het succes van een samenleving.

Een reactie achterlaten