Ook het profijt dat ik van mijn vak van scheikundige heb getrokken, mag ik niet vergeten. Praktisch gesproken heeft het me waarschijnlijk van minstens enige selecties voor het gas gered; uit latere lectuur, in het bijzonder The Crime and Punishment of IG Farben van J. Borkin, weet ik dat het kamp Monowitz, hoewel een dependance van Auschwitz, toebehoorde aan de IG Farbenindustrie; het was dus particuliere eigendom en de Duitse industriëlen, iets minder kortzichtig dan de nazi-kopstukken, beseften dat specialisten (van wie ik er een was) moeilijk te vervangen waren.
(…)

De verbrandingsovens werden ook al ontworpen, vervaardigd, gemonteerd en gecontroleerd door een Duitse firma, de firma Topf in Wiesbadeb (omstreeks 1975 nog in vol bedrijf: ze bouwde crematoria voor civiel gebruik en had het niet nodig gevonden de firmanaam te veranderen). Het is nauwelijks aan te nemen dat de soort en hoeveelheid van de goederen en installaties die door de SS werden besteld, het personeel van die ondernemingen niet te denken gaven. Hetzelfde geldt, zoals al eerder is opgemerkt, voor de levering van het gif voor de gaskamers van Auschwitz: dat was een product op basis van blauwzuur dat al vele jaren voor het desinfecteren van scheepsruimten werd gebruikt, maar de plotselinge stijging van de vraag van 1942 af was te opvallend. Die stijging was verdacht en ongetwijfeld zijn er vermoedens geweest, maar ze werden onderdrukt, uit angst, uit winzucht (…)

Een reactie achterlaten