Hij kreeg geen hoogte van haar. Soms was haar blik koud als steen. Moordogen. Verbeten zwijgmond. Dan pakte ze zijn hand. Kneep. Ze wou de zee in. Kniehoog te water. Of dansen op het strand. Lijf aan lijf tegen de wind. Ze stopt opeens. Pakt een olietouw. Zwaait de smurrie eraf. Slaat naar hem. Speels. Ze vallen. Het zand is overal. Het proeft naar brokjes tranen. Huilt de zee en brult de wind. 
 

Ze zegt: laat me, verlaat me.
Ze zegt: ik blijf hier, hier wil ik dood.
 
Hij gaapt haar aan. Stomme film. Denkt na.
Hij zegt: het is goed, ga dan dood, vertrek, snel.
 
Hij gaat weg. Hij kijkt niet om. Klotevrouw. Kutwijf.
 
Op de dijk speelt een fanfare. Lachen mensen dwaas.
Hij doet een dansje. In zijn hoofd. Hij mist haar niet.
 
De portier van het hotel maakt een grapje. Weduwnaar.
Hij jankt een grimas van witte lijklucht. Stervensuur. Nu.
 
Tegen acht uur komt zij op de kamer. Tam. De wilde teef.

Zij plakt zich tegen hem. Doornat. Klam. Hij haat haar…

heeft haar lief. En haat haar opnieuw. In de valse lakens

valt zij diep en dieper valt hij in haar. Slet denkt hij later

op de avond bij het kaarslicht. Romantiek voor 100 euro.
Met zijn blikken vrank nog in haar décolleté drinkt hij

zich een leven verder. Pothoer godverdomme waarom
houd ik zo van u. De ober brengt een mes en kommen
 
voor het bloed dat niet te stelpen is. Ze gutsen hulpeloos.
 
Een juxe-box (dacht hij) speelt muzak uit het ziekenhuis. Een schone kamer voor hun twee en thermometers bij de vleet. Triangels aan hun bed. En optrektouw. Klavieren. Ook een laptop vol met verse porno. Twee verpleegsters in hun blote gat. Ze wiegen met hun tieten tot hij slaapt. En ’s morgens nog een kreet. Morfine moeder. Zij ging eerst. Ze viel de zee in. Loodrecht uit het raam.