In Leuven wonen rare vogels, ze fladderen vaak in het rond en ze vliegen soms zomaar in het wilde weg, waarbij ze al eens eieren leggen in andermans nest, dat is hun favoriete tijdverdrijf, vooral als ze nog net niet … dronken zijn. Ik denk hierbij in de eerste plaats aan het meest exotische mannenpaar dat onze stad de laatste jaren gekend heeft: het gaat om het vrolijke toogduo Bruno en Hugo, geen onderlinge familie, ze kenden mekaar eerst niet, zeker niet in nuchtere toestand, ze kwamen mekaar enkel tegen in de brasseries van de Oude Markt. Bruno baatte daar vlak in de buurt een erg hippe en goed beklante tweedehandswinkel in kleren en juwelen uit, Hugo had zijn schoenlapperszaak een paar straten verder, in zijn vak gold hij onmiskenbaar als de beste van de stad. Twee markante succesverhalen
dus van een paar pallieters die mekaar waard waren buiten hun job: in het dikke pinten drinken en schoon madammen versieren. Maar, als occasionele toeschouwer, kon ik vaststellen dat naarmate ze meer bier consumeerden – al dan niet te samen –
in diezelfde mate hun veroveringen bij het vrouwelijk schoon afnamen.
Van het dagelijks overmatig alcoholverbruik kregen deze plaatselijke vedetten-middenstanders langzaam een verlept gezicht en een vette pens. Zo pijnlijk toch, deze voortschrijdende aftakeling, want beiden waren ooit gestart als mooie adonissen, het waren de perfecte posterboys om op stedelijke affiches te prijken, wat hun zaak aanvankelijk enkel maar baat had bijgebracht, maar daarna ging het in versnelde mate bergaf.
Bruno en Hugo waren even geniaal begaafd als zelfvernietigend.
Schoenmaker Hugo was ook in nuchtere toestand een levenslustige jongen, ik zag hem niet anders dan lachend, immer dat olijke gezicht en die niet aflatende kwinkslagen. Als ik in zijn zaak kwam, werd ik steevast begroet als zijn beste kameraad, een herstelling werd dikwijls
instant uitgevoerd en die betaling stak niet zo nauw: dat kon desnoods ook een volgende keer, en principieel werd elk bedrag naar beneden afgerond. Zo was Hugo, bijna een beetje beschaamd om mensen geld te vragen voor zijn werk, hij had blijkbaar liever een plezante babbel, of nog beter: als je effe meeging met hem naar het café om de hoek, om hem te trakteren op een pint, en dan bleef hij daarna zonder stoppen terug trakteren, desnoods voor de ganse staminee. Meisjes en vrouwen zou hij andere gunsten verleend hebben – ik was er nooit getuige van – maar handgeschreven boodschappen die ik wel vaak las op de deur van zijn zaak, waren bijvoorbeeld: ben even afwezig of ik heropen binnen half uurtje of vervroegd gesloten vandaag enzovoort. Het hing er waarschijnlijk van af hoeveel werk hij had… met een dame die om te beginnen achteraan in zijn zaak haar schoenen had uitgetrokken en daarna waarschijnlijk de rest, want Hugo lapte alles op.
Maar van langsom meer ontspoorde zijn commerce. Dat ging hand in hand met de verloren controle op zijn eigen persoon: Hugo tuimelde de dieperik in, ten gevolge van zijn exuberant bierverbruik dat bijna een voltijdse dagtaak was geworden. Voor zijn schoenmakerij had hij al spoedig geen tijd meer, die bleef permanent dicht. Schrijnend toch, ik heb hem zelfs meerdere keren compleet laveloos tegen een gevel zien liggen, in het midden van de stad. Hij sliep zijn roes op straat uit, de stoep was zijn thuisplek – inclusief zijn bed – geworden. Een keer heb ik de politie gebeld om hem in zijn dronken nood komen op te pikken, in een doorgangscel lig je rustiger om te ontnuchteren. Was het op deze manier dat hij definitief uit het stadsbeeld is verdwenen, ik weet het niet, maar opeens was Hugo weg.
Ik ging er van uit dat er een eind was gekomen aan zijn ziekelijke drankverslaving, dat hij hopelijk kortelings zijn zaak zou heropenen, voor mij én de meisjes, voor de vrouwen en de rest van zijn trouwe cliënteel. Of was Hugo uit beeld geraakt omdat hij op een andere plek had doorgedronken, zich had doodgedronken? Neen, want ik stelde onlangs vast dat er een tussenoplossing was gevonden: de nog steeds levende Hugo verblijft in de buurt van Leuven in een psychiatrische instelling, met individuele vrijheid van komen en gaan tijdens de dag.
Zo komt het dat ik hem een paar keer per week terugzie in onze stad, meestal op het terras van zijn stamcafé. Hij kent me nog, zwaait telkens uitbundig – laaiend enthousiast, van zattigheid – als ik per fiets voorbijkom. Ik groet hem vriendelijk maar stop nooit… want ik zie dat Hugo zich nog steeds mateloos en laveloos wegdrinkt. Hij houdt dus nog stand, in zijn quasi-constante dronken ontaarding. ’s Avonds spoort hij met de trein naar de kliniek van Kortenberg, zijn ziekte wordt er verzorgd.
Hugo leeft dus nog, dat kunnen we van zijn gewezen drankmaatje Bruno niet meer zeggen. Begin dit jaar vernam ik – via minstens drie van zijn ex-lieven – dat hij schielijk overleden was, net zestig geworden. De laatste keer dat ik hem zag was vorig jaar, blakend van half dronken gezondheid zat hij te hijsen op een terras in het centrum van Leuven. Naast hem zijn erg bevallige vriendin, geen occasionele liefde zoals hij me verklaarde, maar zijn mooie muze in de kunsten. Want inderdaad, Bruno was een alternatieve kunstenaar geworden, na het faillissement van zijn outletzaak – met dank aan zijn drankverslaving – was hij oude brommers en auto’s beginnen opmaken op een
origineel kunstzinnige manier: hij wou van die afgedankte vervoersmiddelen niet minder dan… mobiele poëzie maken (zijn eigen woorden), zijn liefdesmeisje Eva Vera (letterlijk vertaald: de ware Eva) hielp hem daarbij.
Ik wou Bruno best geloven, maar ik had enerzijds vastgesteld dat hij het bier nog steeds lustte en dat die andere lusten – met Eva – misschien dubbelzinnig waren, want ik vernam niet veel later dat zij een extreme borderline-patiënte was, bij wie de genialiteit eveneens aan de gekte grensde. Zoals bij de bricolerende dichter Bruno? Niettemin was hij de man die me ooit zei: elke dag dat ge hier bij ons in het Vrije Westen moogt opstaan, is als een godsgeschenk, prijs u dus gelukkig bij deze manier van leven en welzijn.
Postuum geef ik Bruno dik gelijk, hij had de wijsheid in pacht, maar de drank was in zijn geval een nog grotere kracht.
Zijn muze mist hem nu. Ik hoop dat zij niet zal verdwalen in haar eigen mist: dichterbij haar liefdesdichter, die zich definitief van ons verwijderd heeft, in de dood die in stomme dronkenschap kan toeslaan, bij eertijds lieve mensen, zoals eerst Bruno, daarna Hugo?
Gelukkig zijn de nuchtere overlevers, zoals ik en mijn muze Nathaliefje. Wij zijn voortdurend dronken… vanuit de puurste liefde.
