Ik ben altijd een fervent treinreiziger geweest. Een hartsvriendin zei me jaren geleden dat die particuliere spoor-voorkeur met mijn fallokratische aard te maken had. Zij vond dat ik een voortijlende jager was, een man die een ijzeren paard wou zijn, hard en stijf verlengd in zijn hijgerige drift.
De trein als mannelijk liefdesattribuut, als stoomspuitend en wisselloops pistool dat een penis voorstelt. Zo leuterde ze voort en ik ontspoorde.

Het was wat ik verstond als psychologie ‘van de koude grond’, in Baalrode zegden ze daartegen: dikke zever. Ik heb nooit hoog opgelopen met die freudiaanse wetenschap. Ik testte het zelfs uit op het terrein, empirische expertise zoals dat heet. Ik had ad hoc verkering met twee vrouwelijke psychologen. Niet tegelijkertijd natuurlijk. Enfin, één plus één gaf een gave zero op dat vlak, een complete nuloperatie. Ik was direct uitgeluld.

Ik verkeer zelfs in uitstekend gezelschap met mijn non-wetenschappelijke benadering. Ik kan een surrealistische kunstenaar aanhalen ter staving.
Ik ontmoette hem eind jaren ’80 aan de kust, hij zat te soezen in het plantsoen naast zijn museum, dat helemaal aan zijn schilderkunst gewijd was. Wij gingen er een kijkje nemen, na het zonnebaden en ander lijfelijk vertier. De zee verzet de zinnen, zet aan tot minnen, de duinen zijn de sensuele tuinen der lusten. Mijn geile treintje ging fluitend zijn gangen.

Tot ik die mooie majesteitelijke man zag zitten. Schone kop met lange grijze haren, onpeilbare wijsheid in de ogen, milde en vriendelijke blik. 
Hij knikte naar mijn vriendin, mij had hij niet gezien. Een ware genieter.
Het was een bejaarde adonis, dat werd ook bevestigd door mijn gezellin.
Een ouwere jongen die nog van de vrouwen zit te dromen, liefst met een pijpke, denkend aan voorbije liefdes uit zijn artistieke middens. Mis.
Ceci n’était pas une pipe. Het was inderdaad niet René Magritte, maar zijn surrealistische broeder uit de Brusselse kunstschool: Paul Delvaux, le beau maitre lui-même. Een moment van grote vervoering, daar zat de beroemde schepper van de penetrerende treinen en de maagdelijk staande meisjes in de stations. Hoe de naderende climax van de machines te verenigen met de zwoele koelte van de koninginnen naast de sporen?

Delvaux gaf zelf het antwoord, wars van psychologische bekommernissen.
Hij hield van de gepolijste schoonheid van treinen, zonder doordenken of verdere diepgang. Het ding an sich was een bemind object. Daarnaast, los van elke mogelijke ontsporing, was hij een grote vrouwenzot. Voilà, daar konden de freudianen een puntje aan zuigen, de fellatio zat er nergens in.
Er was geen sprake van penetratie of een orgasme tussen de wagons en de schone dames. De ijle nimfen stonden op zich, wachtten op geen trein.

Zelf hebben ze me wel laten wachten, zowel de treinen als de meiden.
Ik ging soms voor een symbiose die ik niet op de rails kreeg. Een kleine anekdote. Op een kerstavond in 2007 had ik een afspraak met een zekere Karin. Ik moest haar aanspreken met nadruk op de eerste lettergreep van haar naam, ja kapsones had ze wel. Ze kwam ook niet af die avond, ze was weerhouden door het weer. Daar stond ik te bevriezen in de sneeuw.

Gelukkig bevond ik me in de buurt van Leuven station, de vlucht was dus voor de hand liggend. Ik stapte zonder enig nadenken op een trein naar Brussel. De perfecte manier om, in korte heen en terug van mijn ongeluk, een paar uur gerust te zijn. Ik had een dikke weekendkrant op zak, ik kon me lekker weg lezen. Dat lukte aanvankelijk, tot we bijna in Schaarbeek waren. Plots stopte de trein. Trage minuten kropen voorbij, de impasse sloop naar een half uur, de rijdende tijden van de spoorlijn hielden halt.
Het rollend systeem stokte, zonder berichten, de intercom verstomde.

De trein sputterde nog één keer, na een bangelijk uur, liet dan een lange zucht en stierf met een doffe kreun. Het licht ging uit. De verwarming liet ons in de kou staan, verwarring alom. De treinbegeleider verzon de gekste onzin, maar er zat die avond geen beweging meer in. De nacht viel akelig.

Om een zenuwslopend verhaal samen te vatten: we hebben ongeveer vier uur stil gestaan. We bevroren haast ter plekke, we tastten bijna blind naar wat begrip van het afwezige personeel of een medelijdende medereiziger, maar iedereen verschanste zich in zijn angst. Ook ik was niet de held van mijn dromen, laat staan een ridder van het spoor. We zaten hopeloos opgesloten, in het kille donker leek onze coupé een hermetische kooi.


Lang na middernacht kwam de bevrijding, er daagde een noodtrein op.
We werden met zijn allen gedepanneerd, er waren hulpbussen voorzien in Brussel-Noord voor een terugkeer naar Leuven en andere regio’s van herkomst. Een spookscenario kwam ten einde, niemand had blijvende pijn. Onze bus kroop tegen de ochtend traag richting Schaarbeekpoort.
Iedereen sliep, een kleine nachtmerrie lag achter ons. Het bed lonkte.

Toch knalde het nog, een harde anticlimax, onze bus botste op een voorligger. Wij werden door mekaar geschud in ons totale ongeloof.
We waren lamgeslagen, ontzet van verwondering, dronken van paniek.
Dit kon echt niet. Maar we stonden surreëel stil, de motor stuk en zijn ingewanden aan flarden. Dit was wél Magritte, zijn magisch realisme.

We zijn die dag nog thuisgeraakt, met een depannage-bus, tegen 8 uur.

Bij aankomst in Leuven ging ik mijn fiets ophalen aan het station.
Ik zag dat de meeste treinen nog sliepen. Ze wachtten op de liefde van de reizigers, om wakker te worden. Maar nergens liep een vrouw genaamd Kàrin. Er was geen verband tussen beide. De oude Delvaux had gelijk (meiden kicken niet op de pikken van treinen). De ochtend lachte kort en koud.