De laatste tien jaar van mijn loopbaan bij de politie heb ik mee jacht mogen maken op portiers van dancings, discotheken en privé clubs. Ik gebruik gemakshalve het vakjargon van de dienst waar ik als commissaris was afgedeeld, de Private Veiligheid bij Binnenlandse Zaken.

Ook bewakingsagenten namen we in het vizier. We volgden dat ganse wereldje strikt op, we wilden streng controleren of zij zich aan de regelgeving hielden.
Tot laat in de jaren ’90 was dat een zootje geweest, met onder meer een onvervalste oorlog onder de portiers. Er viel meer dan één dode bij afrekeningen, een kogel kwam bijvoorbeeld langs of anderen verdwenen plots spoorloos.

Zelf was ik niet zo’n gedreven jager, ik trachtte altijd de mens te zien achter de beoefenaars van dat beroep.
Dat was mijn sterkte en mijn zwakte tegelijk. Mijn functionele collega’s, de controleurs van de ambtenarij, hadden daar een andere kijk op. Ze deden vaak wedstrijdjes om ter meest proces-verbalen op te stellen, compleet met een rangschikking en tabellen. De bazen zagen daar geen graten in, integendeel, de kassa van de staat moest gespijsd raken.

Wat controleerden wij dan bijvoorbeeld? Ik checkte op voorhand of er geen banden waren met misdadigheid.
De beste familie van de uitgaanswereld is de clandestiene maffia, met inbegrip van louche dealers en gladde pooiers. Wapens doken overal op
, jonge meisjes werden verleid tot een nachtelijke bijverdienste, het (verboden) drinkgeld vond zijn weg in de illegale circuits. Er viel altijd wel iets te verbaliseren, maar ik selecteerde en noteerde niet alles wat ik zag. Ik verkoos liever grote vissen te vangen. 

De boetes voor portiers en bewakingsagenten waren niet min, dat ging al snel om bedragen van minstens 500 euro, tot 2000 euro en meer. Onze dienst werkte op reguliere basis samen met deurwaarders, vaak konden mensen dat geld immers niet op tafel leggen. Ik kreeg dikwijls telefoon van mijn contactpersonen bij bewakingsfirma’s, het waren personeelschefs die radeloos waren omdat ze hun werkvolk kwijtspeelden ten gevolge van de loodzware geldelijke sancties.
Eén voordeel, zo’n maatregel kwam niet op het strafblad van betrokkenen, het was enkel van administratieve aard. Ik trachtte te helpen waar ik kon, soms kleurde ik bewust buiten de lijntjes om een dossier vooruit te helpen, het ging tenslotte om hun job. Met die visie isoleerde ik me meestal van mijn collega’s op het ministerie, maar zij waren controleurs-ambtenaren, ik een vast lid van een politiedienst. Ik vond dat mijn persoonlijke en politionele deontologie zoveel sterker én zeker menselijker mocht zijn.

In het putteke van een koude en sneeuwachtige winternacht komen we aan op de parking van een mega-discotheek in Limburg. We zijn getuige van een massagevecht aan de ingang. Een numerieke overmacht van losgeslagen jongeren klopt en stampt en mept in het wilde weg op de portiers. Het is duidelijk, hier zijn chemische drugs mee gemoeid. Ik zie de rood doorlopen ogen met uitpuilende pupillen van de dancing-hooligans, hun verwilderde blikken, hun zinloos en blind geweld. Hiertegen zijn wij met onze mini equipe machteloos, bovendien hebben mijn twee burgerlijke collega’s geen bevoegdheid in deze materie. Ik bel de plaatselijke politie om dringende bijstand.
Binnen de tien minuten arriveren er drie combi’s en worden de vechtersbazen opgepikt. De portiers bedanken ons en verschonen hun kledij die in de war was geraakt tijdens het handgemeen. Zij praten nog wat na om even te bekomen. Eén van mijn collega’s, een ambtenaar-controleur, gaat echter meteen over tot actie. Hij berispt én verbaliseert een portier wiens badge omgekeerd (en dus niet zichtbaar) hing op zijn tenue, uiteraard nog wegens het gevecht. De man in kwestie is verbijsterd, en ik nog meer. Ik wijs mijn ‘maat’ op zijn daad van onrechtvaardigheid.
Hij antwoordt: de wet is de wet. Ik heb aan de portier gezegd dat ik voor hem ging interveniëren achteraf, ik heb dat ook gedaan. Het resultaat werd mij niet meegedeeld. Ik had de eigen dienst geblameerd. Hun visie.

Mijn hoofdtaak was echter niet de controle op het terrein, ik deed voornamelijk de veiligheidsonderzoeken naar de moraliteit van de mensen in de bewakingssector. Boeiend werk, ik kreeg telkens een kijkje achter de schermen van het leven zoals het is, met zijn kleine drama’s en schrijnende verhalen, meer een traan dan een lach. Ik heb er boeken vol geschreven met verhalen die uit het banale en triviale bestaan gegrepen waren, maar alles was herkenbaar. Ik schreef met de hand van een commissaris, maar met het hart van een mens. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen, dus ik zocht naar meededogen, trachtte de zeden te verzachten met een zo mild mogelijke interpretatie van de wet. De ambtenaren predikten eerder een ander evangelie. Raar toch dat ik als lid van de politie begripvoller en inschikkelijker was. Ze vonden mij ne rare commissaris, daar was ik fier op.

Maar mijn grootste reden tot fierheid was het feit dat ik steeds principieel zonder dienstwapen mee op controle ging. Ik stapte met blote handen op die portiers af, ook als ik op voorhand wist dat we risicovol gebied gingen betreden.
Ik rekende op mijn lef, op een flinke dosis blufpoker en zeker op een bewuste attitude van openheid en eerlijkheid. De taal, desnoods vrank gebekt, was mijn  treffend wapen. Dat is op een tijdspanne van meer dan tien jaar geen enkele keer misgegaan, ook niet als ik iemand van die zware gasten moest achtervolgen tot in de nok van een disco. Ik kreeg ze altijd te pakken, ik beschikte over een uitstekende loopfysiek, en misschien was ik ook te onnozel om voorzichtig te zijn. Ik bleef een ijdele speelvogel in het heetst van de strijd. Zelfs zenuwen waren niet aan mij besteed, ik kon instant de stress van mij afzetten. In het oog van de storm werd alles windstil in mij. Professioneel op stap gaan in die uitgaanswereld leerde mij veel over mezelf. Ik was een kluns in het toepassen van al wat de juridische aspecten aanging, dat was ambtenarenwerk. Ik gedroeg me eerder als een vrolijke cowboy die roekeloos mee de rodeo rijdt. Geen enkele keer viel ik van mijn paard, ook niet toen een  bende Hells Angels met hun zware motoren opdaagde.

Het was op een giga fuif van de plaatselijke jeugdbeweging in een randgemeente van Aalst. Er was officieel geen bewaking voorzien, dat was (in onze vakterminologie) een fameus gat in de verdediging. Dan zij er kapers op de kust die kunnen opdagen, in casu de jongens met hun brommerkes. In wezen stellen die leren vetzakskes niks voor, maar als ze in kudde komen aanrijden dan speelt de kracht van het getal. In een mum van tijd kunnen ze herrie schoppen, de tap gewelddadig overpakken en de kassa in beslag nemen. Of ze posteren zich  ter plekke als de portiers van dienst. Er heerste een lokaal oorlogsgevaar, dat kon ik met mijn twee administratieve acolieten niet keren, dus wegwezen oordeelde ik. Dat was niet laf maar verstandig. Ik verwittigde wel meteen de lokale politie en ook de federale in Brussel. Alle zware middelen mochten ingezet worden, met inbegrip van waakhonden en helikopters. Zo geschiedde, die Hells Angels hebben ze daar nog zien vliegen.

De zwaarste vechtpartij die ik heb meegemaakt was tussen twee portiers in Gent, het ging duidelijk om een interne afrekening. Afblokken van onze kant was niet meer aan de orde, die mannen klopten op mekaar voor dood. Ze waren beiden ook tegelijk dronken en stoned. Op zeker ogenblik krijgt de kleinste een uppercut, hij wankelt en haalt zelf nog éénmaal in totale verdwazing uit. Hij treft zijn tegenstander zwaar op de mond, die gast zijn tanden vielen kletterend op het natte terras van de dancing. Ik hoor nog altijd de verdachte muziek van dat nachtelijke gerinkel, ik zie en ruik nog dat afschuwelijk rondspattende bloed. Het waren de harde sappen van de dansende horror. Voor de één de ander vermoordde, kwamen mijn collega’s van de oproerpolitie ter plaatse, om de boksende portiers mee te pakken, naar spoed.

Een vrouwelijke collega-ambtenaar was mee op deze controle. Ze stond bekend als de Moeder Theresa van onze dienst. Ganser dagen liep ze rond, al zalvend en al taterend, want ze was ‘zo sociaal’. Dat riep ze van de daken, in haar hooggeachte linkse geaardheid. Daar aan die dancing ging ze extatisch door het lint, nadat die zware gasten waren opgepakt. Ze achtervolgde hen met haar scheldend proza, ze moeide zich tergend moralistisch met geboeide mensen. Ik heb haar ter plaatste aangepakt, kordaat het zwijgen opgelegd, in het bijzijn van minstens honderd man. Het was een finaal affront voor deze valse madonna. Ik had lak aan ambtenaren die op een graf willen dansen zonder dode.

Een ranzig wereldje was het wel en de chemie was altijd in het spel, dat wil zeggen: de pep en de pillen, het spul, dus de drugs. Men heeft het graag over de Belgische “techno” dansscène, dat heeft zijn ultieme uitlopers in het festival Tomorrowland, een mondiaal exportproduct voor ons land. Maar men vergeet tactvol de keerzijde: slikken en spuiten tot men omvalt en bezwijkt. Ik heb het te vaak meegemaakt, de draagberrie en de black outs, ook bij een verkrachting, na de stiekeme druppels in het glas.

Vertrouwen is goed, zei ooit een oude staatsman, maar controle is beter. Dat geldt in beginsel zeker voor de discotheekwereld. Ik heb er een decennium lang alle hoeken en kanten van gezien, kwam soms in de duistere VIP-ruimtes waar decadente BV’s en hautaine voetbalvedetten werden bediend door de geile geisha’s van dienst. De coke deed er zijn werk, het grote geld zorgde voor de rest. Breek me de bek niet open, beste lezers, blijf er beter weg.

 

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.