Ons ma heeft onlangs besloten dat ze haar 93ste verjaardag niet wil vieren. Dat bevalt haar precies niet. Daarom viel ze ook om de haverklap. Ze ging de laatste tijd meermaals tegen de vlakte, dan lag ze languit op de grond. Ze wachtte niet echt op hulp, ze had haar voorzorgen genomen. Haar alarmhorloge had ze telkens manifest niet aan. Dit kon geen toeval zijn.

De laatste keer, twee weken geleden, brak ze hierbij haar heup. Ook geen toeval misschien, het leven begon haar duidelijk ‘op de heupen’ te werken. Niettemin werd ze heelkundig gerepareerd, een vlekkeloze operatie.

Maar ons ma was nog niet verslagen, ze besloot niet meer te eten en, als uitleg hiervoor, wartaal te beginnen spreken. Ziekenhuisverwardheid noemden de specialisten dat. Ze hield die komedie ook tegen mij vol. Ze zaagde mijn kop zot over waanzinnige dingen en gekke mensen die ze meer dan een halve eeuw geleden gekend had. Die waren één voor één bij haar op bezoek geweest, sommigen waren zelfs blijven slapen in het vrije bed naast haar. Ook vroegere vrijers, vroeg ik haar, dan geeuwde ze. Ze vindt mij nog steeds die vervelende zoon, ze is mijn naam al een tijdje vergeten, ze wil niet meer weten van mijn voorbije liefdes of mijn kind dat bezweek. Het is afgehandeld, bij het negatieve saldo van de balans gezet.

Haar leven schiet nu in een ijltempo voorbij. Ze grijpt met gretige klauwen naar de dood. Het is een kwestie van tijd. Zij pruttelt nog wat, ze reutelt en soms verschijnt er nog een vage grijns, een verdachte vreugde om mijn verdriet dat te hoog gegrepen is. Ze weet dat ik niet lijd onder haar doodstrijd, dat mijn geweten daarom opspeelt, dat ik woeker met wat een mens verondersteld wordt te voelen als zijn oude moeder gaat bezwijken.

Ik kijk naar de vechtende vrouw in het bleke sterfbed. Ik voel hoe sterk ze nog is, ze weerstaat de druk van mijn handen als ze opstandig rechtveert. Ze wil me nog bezighouden, tonen dat ze weerbaar is, dat zij het laatste woord heeft. Ze besliste lang geleden dat ik zou geboren worden, ze verpestte ernstig mijn leven. Nu speelt ze toneel met het vallen van de herfst, ze wil nog de komende winter overwinnen. Zogezegd, dat is haar geëtaleerde cinema, een gelegenheidstheater. Hoe haar niet te haten?

Ik schaam me meteen voor mijn taal, het betaamt niet, dat weet ik. Maar ik wil vooral dat ze nu gaat. Laat ons voelen dat we verlost zijn moeder. Dan kan ik vrijuit ademen, verder praten met mijn blijvend dode zoon. Ik zal hem waarschuwen voor de op komst zijnde gruwel, gesteld dat er een soort hiernamaals bestaat.
Hij was haar petekind, het betekende niks voor haar.

Dat zit ik allemaal te bedenken aan haar laatste bed, terwijl zij ratelt en raaskalt, in de lucht krabt en net mijn hart mist. Consequent, dat klopt.

Als ik misschien voor de ultieme maal uit haar dwaze bestaan stap, de witte kamer achter mij laat, verlicht en zwaar van onvervulde plichten… dan wordt ze plotseling wakker uit haar aangenomen spookgedaante en stamelt: doe nog de goeiendag aan Nathalie. Helder en smekend. Dan breek ik. Even toch.

PS: mijn van verdriet schimpend schotschrift hierboven heeft gewerkt, het werd een door tranen gekweld en van dolle razernij scheldend grafschrift, mijn moeder is er woedend om geworden, ziedend, ze begon te tieren onder de morfine, ze stikte van kwaadheid en hield op met ademen, ze overleed om kwart voor acht gisterenavond, zonder een goedendag aan haar zoon, ze was gewoon weg, zoals steeds, tijdens haar ganse leven, op geen enkel moment was ze aanwezig geweest … nu verwittig ik snel mijn kind, kies u daar een ander plek, want de koude komt er aan,
de eeuwige kilte van die vrouw!

 

 

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *