Mijn beste kameraad en oud-collega Juliaan uit Becquevoort was reeds op prille puberleeftijd aan het grotere en betere liefdeswerk begonnen. Hij was nauwelijks 14 jaar toen hij kennismaakte met de 41-jarige Madeleine, een zigeunerachtig type met lang ravenzwart haar en weelderige vormen. Zij was bovendien opvallend lang: 1m80, waarvan bijna twee derde uit fraaie benen bestond, daarboven een wespentaille en dan volgde op het hoogste verdiep een malse korf met kolossale borsten. Op zekere dag bood ze die met schalkse blik maar met lippen vol van overgave en donker bliksemende ogen aan: zij legde haar boezem onverwacht in de jongenshanden van Juliaan… die langskwam met lotjes van de tombola voor Ontwikkelingshulp in Congo, waar haar man toen verbleef om de negers proper manieren te leren op een katholieke school van Vlaamse missionarissen. Madeleine mankeerde duidelijk affectie, een properder woord voor… seks. De hunker die zij onder haar onbevredigde lenden voelde was zo hevig dat zij zich eigenlijk aan een kind van 14 jaar vergreep. Hola kameraad, hoor ik nu meer dan een halve eeuw later de ongeveer 74-jarige Juliaan roepen: ik was er wel degelijk klaar voor, ik geilde al langer op die zwoele seksmadam. In mijn fantasie had ik haar al meerdere keren in de rapte “gepoept”. Verschoning, corrigeert hij, dat bleek een te brutale en veel te onbeschofte inschatting, want uiteindelijk was zij het die mij op een erg verfijnde manier het betere erotische werk aanleerde. Haar plotse intro met die borsten die ik kreeg gepresenteerd was slechts een overdonderend lokkertje geweest, een berekende en overweldigende opwarmsessie voor het gulle sensuele verblijf in haar lijf en leden dat mij gedurende bijna één jaar zou gegund worden.

Zoveel is duidelijk: Juliaan tolereert niet dat er denigrerend wordt gedaan over zijn intieme relatie met een Becquevoorts-exotische vrouw die in leeftijd makkelijk zijn moeder kon geweest zijn. Voor hem is zij nog steeds zijn madonna van de liefde, op een haast sacrale manier. Het was voor hem nog meer aanbidden dan beminnen, meer adoreren dan begeren, zij was zijn heilig altaar waarop hij eigenlijk zijn oppervlakkige geilheid bande en van bronstige jongen tot een volwaardige man werd: de perfecte minnaar.

Juliaan kwam en ging bij Madeleine, zonder veel woorden en met slechts stille gebaren, zij kleedde zich bij valavond graag traag uit voor hem. Dan wandelde zij naakt rond in de huiskamer, ontstak kaarsjes, neuriede een zigeunerliedje, streelde haar blote weelde, slechts bedekt door dat glinsterende gordijn van loshangend haar, dat ze plots opknoopte en waarbij haar borsten ongewild werden opgetild, tepels gereed voor het gretig jongetje, dat zich moest beheersen, terwijl alles in zijn puberbroekje protesteerde…
Ik vertaal gewoon in bevattelijke taal uit de guitige maar ook gulzige verslagen die mijn maat me achteraf bracht. Dan werd hij willens nillens “dichterlijk”. Hij maakte voorzichtige poëzie van zijn gevoelige kriebels en zielenroerselen die door zijn weke hart en handen vloeiden. Hij vertelde me respectvol hoe hij het van “vloeiende goesting glimmende” lijf van Madeleine mocht verkennen en verwennen. Hoe hij een echte vent werd, die voor de rest van zijn leven in haar warme nest wou blijven, voor eeuwig verweven met de ultieme vrouw. Ik had groot respect voor deze vorm van erotiek die duidelijk van een andere orde was geweest dan wat wij als zijn kameraadjes presteerden met de meisjes van onze straat. Dat was slechts slap gegraai en gegrabbel met in het beste geval een vlugge duik in de struiken, broekje uit en wat onhandig fluitspel op een viool met valse noten. Tja, wat wij afstuntelden leende zich niet echt tot dichterswerk. Juliaan daarentegen, die speelde afgetekend in de hoogste klasse. Die beschikte over zijn privé courtisane, zijn jaloerse tegenstanders zeiden hatelijk en smadelijk: zijn luxe-hoer. Ik zou eerder zeggen (bemiddelaar als ik ben): Madeleine was een exclusieve geisha, een zuiderse en onvlaamse plattelands-vamp, een vrouw met uitzonderlijk gecultiveerde talenten op het vlak van de pure zinnelijkheid & het zuivere minnen. Juliaan was haar tijdelijk uitverkorene, haar seksueel onontgonnen koorknaap die zij bezat en nam als de man in wording. Haar jongvolwassen leerling die door haar sensuele vaardigheden een grootmeester – zelfs een kunstenaar, jawel – werd in het liefdesvak.

Juliaan wordt elke keer weer wat triest als hij me de afloop van deze onalledaagse – én strafbaar volgens christelijke azijnpissers – maar hoogstaande en verrijkende romance vertelt: op zekere dag waren de gordijnen dicht gebleven bij Madeleine. De sleutel van de voordeur lag niet meer onder de mat en de achterdeur – zijn stiekeme ingang – was dicht, ook toen hij ’s avonds terugkeerde, brandde er geen enkel licht in huis. Zijn liefdesthuis was in donker gehuld, het duister dat gewoonlijk een bondgenoot was geweest voor de frivole optredens van madam Madeleine leek nu bedreigend.
Het was buurvrouw Jacqueline die wat later opheldering bracht: die rare zigeunerin was halsoverkop vetrokken naar dat zwarte volk in Congo, op vraag van haar man. Die zou daar wat miserie met een paar negerinnen hebben gehad, oud-leerlingen die een proces tegen hem hadden aangespannen omdat hij had zitten rondvogelen in de brousse en daar zodoende (wild poepend) een aantal koffie-met-melk kinderen had verwekt. Er viel dus af te dokken en daarom moest Madeleine met een grote portemonnee komen. Enfin, dat moet zij dan wel goed geregeld hebben, met niemendalletjes en afkoopsommen in natura (prullaria in zilverpapier gewikkeld) én een deel van de familiejuwelen, die voordien toch maar gestolen waren geweest door haar Roma verwanten, ach.

Een jaar later is Madeleine dan teruggekeerd naar Becquevoort, samen met haar man Marcello (de overspelige leraar) en hun drie zoontjes. De jongste was nog een baby, een lief mulatje.
Een meegekregen cadeau van de favoriete negerboy die Madeleine graag in het huishouden had geholpen en haar de weg der lusten had gewezen in de Congolese jungle. Juliaan kijkt iedere keer weer wat sip als hij deze epiloog aanraakt. Het negerknaapje kreeg in Becquevoort al rap de troetelnaam van… Zwarte Piet, wat hij zelf een compliment en een eretitel vond. Het deed ook recht aan zijn “zwaar gerief” dat hij – plichtsgetrouw aan zijn ouders – blijvend voor de gemeenschap heeft ingezet. Becquevoort liep indertijd al ver voorop wat betreft seksuele interculturaliteit en erotische gelijkheid tussen de inferieure en superieure rassen in en buiten het echtelijke bed. Zeker Juliaan was daar een excellent nevenproduct van, want hij had als eerste lokale jongere een zigeunerin bezeten. Zo troost ik mijn goeie maat, de beste leerling ooit uit de geheime seksklas van die klassemadam Madeleine, zijn geile mama.

PS: vermits het om een waar gebeurd verhaal gaat (begin jaren ’60), heb ik – behalve voor Juliaan – schuilnamen gebruikt, maar de rassen zijn wel als dusdanig op directe manier vermeld: zigeuners zijn zigeuners en negers blijven negers, en zoals gezegd was “Zwarte Piet” een correcte en terechte betiteling, dat stond voor de ingewijden en zelfs voor de buitenstaanders pal als een sekspaal in de Becquevoortse grond gebeiteld.