Tijdens de zes jaar dat ik als gids werkte in Kazerne Dossin – het museum van de Holocaust te Mechelen – heb ik ontzettend veel pakkende momenten meegemaakt in confrontatie met bezoekers, die steeds weer onthutst, verbijsterd of aangeslagen waren. Het verhaal van Auschwitz en andere helle-oorden werd hen telkens te machtig. Ik heb meerdere keren gezien hoe mensen pal voor mijn neus tegen de grond smakten, lijkbleek bleven liggen, voor een tijdje niet meer van deze wereld waren. Het kwam echter steeds weer goed met hen, in tegenstelling tot de zes miljoen uitgeroeide Joden…
Een collega-gids die wist dat er bij mij nogal eens wat volk tegen de vlakte ging, repliceerde daarop: dan zijt gij een slechte gids. Ach, ik ga me zelfs zoveel jaren later niet verwijten dat ik nogal wat inleving had, én die ook vertolkte, voor een genocide met de grootorde van (ter vergelijking) een massamoord op ons Vlaamse volk. Toegegeven, ik wond er geen doekjes om, maar een gids moet niet de flauwe zeveraar spelen. Het Kwaad mag en moet benoemd worden, dat deden zelfs af en toe… de bezoekers. Hieronder twee straffe staaltjes van mensen die mij even wegbliezen met hun eigen verhaal. Ik ging niet van mijn stokje maar moest wel even naar adem happen alvorens ik hen van repliek kon dienen.
De personages waar hun verbluffende anekdotes betrekking op hadden, waren respectievelijk het Joodse meisje Anne Frank en de gruwelijkste über-nazi… Adolf Hitler.
Anne Frank is wereldberoemd geworden door het dagboek dat ze bijhield als ondergedoken Joods kind in het Achterhuis te Amsterdam. Ze werd een internationaal symbool van de Holocaust. De familie Frank was echter van … Duitse origine. Meer nog, ze waren echte patriotten, vaderlandslievend tot en met. Papa Otto Frank was zelfs officier geweest in het Duitse leger en had zijn vaderland dapper gediend aan het krijgsfront tijdens de Eerste Wereldoorlog. Om maar te zeggen dat de familie Frank zich eerder Duits dan Joods voelde. Niettemin sloeg het noodlot toe en werden zij geviseerd door de raciale verbetenheid van het nazisme.
Voor Anne Frank eindigde die vervolging in het concentratiekamp van Bergen-Belsen, waar ze in februari 1945 op 15-jarige leeftijd aan vlektyfus overleed. Ik bracht haar verhaal steevast ter sprake in Kazerne Dossin, om de onmenselijkheid van de nazi’s te illustreren. Vergelijk het gerust met de hedendaagse jihadi’s.
Toch werd ik eens totaal verrast door een schoolmeisje dat met haar klas op bezoek was. Ze had ademloos geluisterd naar mijn pakkend verhaal over Anne Frank en stak dan, na een duidelijke aarzeling, toch heel schuchter haar vinger op. Ze vroeg of ze iets “heel raar” mocht vertellen. Ze was de achterkleindochter van een Antwerpse vrouw die als jong meisje (en niet Joods) eveneens was gedeporteerd geweest. Deze “overgrootmoeder” had als 17-jarige samen met Anne Frank in een barak gezeten in Bergen-Belsen. Haar getuigenis als overlevende (overgebracht door de timide achterkleindochter in het museum) aangaande Anne-Frank luidde als volgt: een onuitstaanbaar kind, egoïstisch tot en met, asociaal en arrogant… Toen ik dat hoorde was ik even sprakeloos, dit leek me toch eerder onwaarschijnlijk. Hier werd een mooie mythe ontkracht, het sprookje van de onschuld werd zelfs brutaal verkracht, maar, en dat was mijn besluit tegenover het meisje en haar klasgenoten: wie was ik, en wie waren wij allemaal, om daar over te oordelen? Wij hadden noch de levensbedreigende omstandigheden van Anne-Frank noch de penibele lotgevallen van de latere “overgrootmoeder” aan den lijve meegemaakt. Ze verkeerden allebei waarschijnlijk in even grote doodsangst, vandaar… kritiek inslikken, en zwijgen. Een gids dient soms nederig en bescheiden te zijn, liever niet het alwetende orakel willen spelen.
Tijdens mijn periode in Dossin wou ik zeker het Anne Frank Museum in Amsterdam eens bezocht hebben. Na een omslachtige trip met de trein richting Nederlandse hoofdstad, stond ik dan uiteindelijk in een ongeveer 150 meter lange rij aan te schuiven om nog voor sluitingstijd binnen te geraken in het museum. Dat vorderde daar echter voor geen meter.
Ik was bovendien in het gezelschap van mijn toenmalige vriendin die haar tijd zag bekorten om nog te kunnen gaan shoppen in de Bijenkorf. Enfin, de zenuwen waren gespannen, om het zacht uit te drukken. Uiteindelijk heb ik het, na anderhalf uur voetje voor voetje tergend traag verder schuifelen, opgegeven. Het uurtje winkelen kreeg prioriteit op het mogelijks half uurtje dat ons nog in het museum had gerest. Achteraf vernam ik van mijn collega’s in Dossin dat een klein mailtje naar het Nederlands museum had volstaan om – als Belgische gids – de ganse wachtrij te mogen voorbijsteken en zelfs gratis binnen te mogen. Ziet ge het wel, zei mijn voormalige vrienden, ik wist het wel, zoals ze achteraf alles beter wist.
Rest me nog dat voorval met “den Adolf” te vertellen. Wel, een wat oudere man, die deel uitmaakte van een West-Vlaamse heemkundige kring, wou na afloop van een geslaagde rondleiding ook nog zijn verrassend scherp steentje bijdragen aan de geschiedenis. Hij schraapte zijn keel, en deelde mij (en de rest van het gezelschap) plechtstatig mee dat de jonge Hitler nog zo’n slechte kerel niet
was. Hij wist uit de eerste hand dat Adolf als soldaat een voorkomend en beleefd manneke was geweest, met veel respect voor de gewone mensen en zeker voor de Belgen. Want dat hadden althans zijn grootouders verklaard, simpel boerenvolk bij wie Adolf Hitler – in militaire dienst aan de Vlaamse Westkust tijdens WOI – op hun erf gebivakkeerd had, dit gedurende vele weken, waardoor het contact zich van zeer nabij had voltrokken. Zijn opa en oma konden geen kwaad woord over “die jongen” zeggen. Hij had blijkbaar in niets de trekken vertoond van het latere wereldmonster in wording. De grootouders van mijn getuigende bezoeker waren steeds stellig en formeel geweest: het ging om de echte Adolf Hitler. Betrokkene was toen ongeveer 25 jaar, een extreem gedisciplineerde militair, in niks de belichaming van het Kwaad dat later uit zijn persoon zou opstaan. Tja, ik heb dit verhaal nadien uiteraard nagetrokken, en inderdaad, dit zou – zeker chronologisch en geografisch – waar kunnen geweest zijn. Het was niettemin een onthutsende anekdote.
Niets is wat het lijkt, dat was voor mij als gids een leerzame zedenles. Zou er zich diep in ons binnenste, bij ieder van ons, dan toch een mogelijk monster verstopt zitten? Stof tot nadenken, na deze verbijsterend andere kijk op die twee morele tegengewichten uit de helse historiek van de wrede wereld.
