Je bent een zatte fles
je zwalpt van vent naar bed
met dronken tetten en de rest

Ik haat je niet ik mijd je

Ik ontwijk je nijd je vieze praat
je taal die agresseert
je blik die enkel spreekt
met marginale wallen
met je ogen die wat brallen
met je mond die stinkt
van alcohol en vuile walm
zoals een ongewassen kont
 

Je staat onvast met huichel
in dit leven en je valt weldra
(vandaag of morgen) overboord
je buigt zo laag in stront en smurrie
dat je blijvend ruiken zal
naar lijkgeur die ik nu al snuif
de keren dat je spijtig langs me schuift
een schim van uitgemergeld vlees
besmeurd met bakken bier
               en zakken weed

Ik moet je niet
je bent een stadsrioolverdriet
ik wis ons zuur verleden 
voor een puur geluk (je weet met wie
stuk ongeluk – zelfs stoned versta je dit)

Ik kom je weldra niet bewenen 
                                            aan je graf
ik breng gewoon de boodschap
                         aan je doorgezopen hart 
ik stort ze in je
laatste handen

Blijf nu van mij af: verstijf
tot nuchterheid en rot
omringd door maden
dieper dood in modderaarde