Uit DOORBRAK – Eddy DANIELS – 25/06/2020

Ook waar er geen racisme is, kan men het zien als men wil

 
Sinds de dood van George Floyd tuimelen columnisten over elkaar in afkeer voor de Bange Blanke Man. Eén voorbeeld uit velen, Saskia De Coster in De Morgen  van 5 juni. De witte mens moet zich zelf emanciperen. Zij stelt dat wij ‘als zonnekoningen vasthouden aan door God gegeven voorrechten’. Zij verwijst naar de zwarte Amerikaan Frances Tiafoe die in ‘de witte sport’ tennis aan de top staat en zegt: ‘Ik heb het gevoel dat ik iemand anders plaats inneem’. In welk een wereld leeft die De Coster, vraag je je dan af? Serena Williams (en tussendoor haar zus Venus) domineren het vrouwentennis al een decennium lang. Hoe ‘wit’ was Yannick Noah overigens?

Ik begreep niet hoe men mij kon kiezen

Als contrast met  de vooroordelen van De Coster is het misschien interessant om even te citeren uit een column in dezelfde krant ongeveer twintig jaar en die nadien verscheen in het in 2002 door Uitgeverij Houtekiet gepubliceerde Couscous met frieten: Marokkaanse vooroordelen over Belgen. Daarin legde Mimount Bousakla bloot hoe het mechanisme werkt. Mimount was toen nog bankbediende, zetelde van 2003 tot 2007 als senator voor sp.a, raakte daarna een tijdlang politiek en persoonlijk op de dool en werkt sinds 2013 weer als bankier bij Bpost. Ik citeer haar uitgebreid, met de commentaar erbij uit mijn boek De Open Samenleving en Haar Nieuwe Vijanden (2005, p. 81-85).

Mimount: ‘Toen ik een tijd geleden solliciteerde bij de bank waar ik nu werk, moest ik een vergelijkend examen afleggen. Ik ging binnen in de zaal en zag dat er geen tiental kandidaten was, zoals ik had verwacht, maar dat er zeker driehonderd sollicitanten bij elkaar zaten in een gigantische aula. Het waren allemaal autochtonen. Ik zal nooit vergeten dat mijn eerste gedachte was: ‘Wat kom ik hier doen?’ Ik was er heilig van overtuigd dat ik geen schijn van kans maakte. Ik begon te zweten, en kreeg prompt een aanval van migraine. Ik stond op het punt me om te draaien en weer naar huis te gaan.’

Dan volgde de verrassing. ‘Gelukkig ben ik gebleven. Toen mijn naam werd afgeroepen bij de geslaagden voor de eerste proef, dacht ik eerst dat er een vergissing in het spel was. Na een tijdje drong het tot me door dat ik erbij was en ik kreeg tranen in de ogen. Ik begreep niet hoe men mij kon kiezen in plaats van al die autochtone Belgen. Het leek wel de omgekeerde wereld.’ Ieder gezond denkend mens zou hieruit de conclusie trekken dat zij zichzelf een discriminatie had aangepraat, of aangepraat had gekregen, die gewoon niet bestond.

De personeelsdireteur was al niet-racistisch

De columniste was toen echter nog hardleers, en sprong meteen over op een ander voorbeeld. ‘Een vriendin van me had een sollicitatiebrief geschreven en ontving een uitnodiging voor een gesprek. In plaats van gewoon naar het gesprek toe te gaan heeft ze eerst het bewuste bedrijf opgebeld om hen te vertellen dat zij Marokkaanse is. Als dat een probleem was, mochten ze het meteen laten weten, dan moest zij tenminste de verplaatsing niet maken.’ Wat meteen opviel in dit tweede verhaal, was hoe deze jonge dame de discriminatie zelf uitlokte: als zij immers op gesprek mocht komen na een sollicitatiebrief, dan betekende dit dat de personeelsdirecteur haar naam kende, die onmiskenbaar Arabisch klonk. Dat wil zeggen dat hij/zij al kenbaar had gemaakt helemaal niet ‘racistisch’ te zijn.

Toch belde zij op met een vraag die je als uitlokgedrag kan interpreteren. Mocht de persoon aan de andere kant geantwoord hebben dat haar afkomst een probleem kon zijn, dan was hij/zij schuldig op basis van de wet op het racisme. Er bleek niets aan de hand te zijn. Toch verdedigde Mimount Bousakla dit kwetsende gedrag toen nog: ‘Deze vriendin sprak natuurlijk uit ervaring (…). Ook mijn vriendin twijfelde vooraf of ze wel een faire kans zou krijgen.’ Het lijkt wel of ze het erg vond dat ze die wél kreeg. Of dit haar dierbaarste geloof onderuit haalde, haar gekoesterde zelfbeeld als structureel slachtoffer.

Verliefd zijn op discriminatie

Het was alsof de prijs die Bousakla en haar vriendin voor elke faire kans betaalden erin bestond dat ze hun meest geliefde opvatting moesten opgeven, dat zij in een land leefden bevolkt door racisten die hen geen kansen gunden. Verderop gaf ze echter impliciet toe dat haar klaagzang meer te maken had met aangekweekte Marokkaanse paranoia dan met Belgisch racisme. ‘Al dat soort discriminaties’ – zij had er niet één vernoemd – ‘hebben volgens mij drie belangrijke effecten.

Ten eerste geloof je niet meer in je eigen kansen (…). Een tweede, perverser effect (…) is dat je begint te denken dat de racisten gelijk hebben. Vele allochtonen lopen rond met een minderwaardigheidscomplex. Ten derde begin je racisme te zien waar het niet is. Als een Belg nog maar een beetje raar kijkt, of de straat oversteekt wanneer jij passeert, dan is dat omdat die Belg een racist is.’ Waarop de pathetische uitroep volgde: ‘U begrijpt dat het zo erg moeilijk wordt nog op een normale manier te functioneren.’

De cultuur van het masochisme

En of ik dat begreep! Het moet verschrikkelijk zijn geweest om zichzelf dit soort onzin voortdurend aan te praten. De tragiek van Bousakla toen was dat zij tussen twee stoelen kwam te zitten: terwijl zij de samenleving die haar wel degelijk opnam van allerlei lelijks beschuldigde, spuwden de extremisten van de samenleving die zij meende te moeten verdedigen haar uit. Tijdens haar verkiezingscampagne beledigden Aboe Jahjah-akolieten haar als een soort nestvervuiler. Na de moord op Theo van Gogh ontving zij doodsbedreigingen van een islamitische bekeerling.

Toch wordt de cultuur van het masochisme systematisch gecultiveerd, ook vandaag nog door een verontwaardigde columniste als Saskia De Coster die het toch zo goed bedoelt. Wat De Coster niet snapt, of niet wil snappen, is hoe haar attitude het voortduren van de zelfdiscriminatie bevordert en dus de achterstand van migranten in stand houdt.

 

Een reactie achterlaten