Zuckermans moeder, een stille, eenvoudige vrouw, had hem, hoe plichtsgetrouw en argeloos ze ook was, altijd een ietwat meer zorgeloze en geëmancipeerde geest  geleken. Historische grieven wegnemen, ondraaglijk onrecht rechtzetten, de tragische loop van de joodse geschiedenis wijzigen – ze liet het graag aan haar man over dat alles onder het avondeten voor elkaar te krijgen. Hij was er om stampei te maken en er meningen op na te houden, zij stelde zich ermee tevreden het eten voor hen klaar te maken, de kinderen te voeden, en te genieten van het harmonieuze gezinsleven, zolang het duurde.  Een jaar na zijn dood had ze een hersentumor gekregen.

(…)

Deze maand drie jaar geleden. Eenentwintig december. In 1970 was het een maandag geweest. De neuroloog vertelde hem door de telefoon dat ze met die hersentumor nog twee tot vier weken te leven had, maar toen Zuckerman van het vliegveld in haar kamer aankwam, was het bed al leeg. Zijn broer, die een paar uur eerder per vliegtuig gearriveerd was, zat in een stoel bij het raam, kaken opeengeklemd, gezicht een masker, ondanks zijn lengte en kracht eruitziend alsof hij van gips was. Eén flinke dreun en hij zou op de grond aan stukken liggen. ‘Moeder is dood’, zei hij.
Onder alle woorden die Zuckerman ooit gelezen, geschreven, gesproken of gehoord had, bevonden zich er voor zover hij kon nagaan geen die wat retorische werking ook maar in de verste verte tegen die drie op konden. Niet ze gaat dood, niet ze zal doodgaan, maar ze is dood.