Voor ik Nathalie kende, ging ik elke dag naar de Spar om de hoek. Ik moest mijn eigen huishouden beredderen en kreeg daarbij goeie raad van Katia, een mij welgezinde kassierster. Ze was van Russische origine, maar dat vormde voor mij geen beletsel, want haar “vormen” waren naar mijn Vlaamse normen perfect in orde. Soms ging ik ook bijpraten met haar na de werkuren, tot die keer dat ik bij haar thuis werd uitgenodigd: toen zaten daar ook haar dochter, haar zus en broer, haar oude moeder plus een bejaarde nonkel en tante klaar om mij te verwelkomen, het was blijkbaar de bedoeling dat er gezamenlijk onder één dak gehokt werd. Die Russische clan-traditie schrikte mij danig af en ik liet zodoende de knappe Katia voor wat ze was. Een zwoele droom die in rook opging. Ik verkoos mijn privé comfort boven een schoon madam die constant omringd was door een horde familieleden.
Het bleef al bij al een vrij frivole noot, een soft-erotische zijsprong onderweg. En toch, wat me altijd is bijgebleven aan Katia, dat was niet haar fraaie gezichtje, ook niet haar bekoorlijke borsten en billen of sexy benen maar haar doorgedreven eerlijkheid en integriteit. Zij ging voor de opperste liefde en die heeft ze later ook gevonden. Toen ik haar eens tegenkwam in Mechelen met haar droomprins, heb ik haar gefeliciteerd, en zij betuigde oprecht haar deelneming toen ik haar vertelde van mijn overleden zoon. “Weet dat enkel de liefde de dood kan overwinnen”, voorspelde ze me, daar wist ik toen al iets van, maar ik moest Nathalie nog tegenkomen. Dat viel niet zoveel later voor, in datzelfde Mechelen….
Maar nu terug naar de winkel in Leuven, de Spar bezorgde mij ook een zoveel hardere anekdote, bar en wrang.

De gerant van de zaak was Lucien, een propere en forse man, erg correct in de omgang en voorzien van een glimlach die geen moment van zijn gezicht week. Hij was mij blijkbaar welgezind en daarom nam ik hem ook in vertrouwen toen ik getroffen werd door het zwaarste leed dat een vader kan meemaken: de dood van zijn kind. Ik schonk hem het boekje dat ik schreef als ode aan mijn gestorven zoon. Lucien was daar ogenschijnlijk door gepakt, ik mocht even mee met hem naar zijn privé-kantoortje voor een warme babbel. Daar vernam ik dat hij zijn eigen zoon ook verloren was, ten gevolge van zijn… vechtscheiding. Hij had die jongen daarom al meer dan twintig jaar niet meer gezien, hij zou hem zelfs niet meer herkennen, dus… hij begreep perfect mijn situatie. Tja, dacht ik bij mezelf, volgens mij klopt hier toch iets niet. Is dit geen geval van onrechtmatige toeëigening van emotionele aandacht. Dit verhaal maakte me onwennig, alsof ik – met mijn verse en immense hartzeer – moest dienen als sentimentele kapstok voor zijn… te kort schieten als vader. Enfin, ik drong niet verder aan, maar was wel blij toen hij wat later uit de zaak verdween. Hij haakte af wegens pensionnering. Ik vermeld er toch nog even bij dat Lucien me tijdens dat “intieme” gesprek verdacht veel aanraakte, hij pakte mijn hand, kneep in mijn arm, legde zijn vingers indringend op mijn knie… Telkens verschoof ik wat, nam ik afstand, tot precies zijn frank viel en hij wist: die man hier naast mij is in niks een mietje, maar een mens met verdriet, jawel Lucien.

Nadien bleef ik hem echter vaker dan gewenst tegenkomen op mijn fietstochtjes langs de Leuvense Vaart, telkenmale begroette hij me enthousiast met hallo, hoewist jong. Het was duidelijk niet bedoeld als vraag maar vooral als intro voor hemzelf om uitbundig over zijn eigen leventje uit te wijden. Ik bleef beleefd, maar was matig geïnteresseerd, wat wil je: die man sprak me ook nooit bij mijn voornaam aan, ik was niet meer dan “jong”. Toch vond Lucien dat wij gelijkgestemde zielen waren, want hij schreef ook veel, hij maakte dagboeknotities en begon soms aan opstellen met voorstellen om de wereld te verbeteren, niet meer of niet minder. Tot op dat moment had hij slechts kennis van één schrijfsel van mijn hand, dat was Het Boek van Vincent – waar hij overigens nooit is op teruggekomen, gelezen en verteerd, de vergeetput in (dacht ik) – hij wist in het geheel niets over het bestaan van ons blog Nathan Juda. Dat heb ik hem toen wel eens meegedeeld, ter bevordering van zijn mening dat wij ideologisch op dezelfde golflengte zaten. Ik gaf hem graag de kans om zijn (zogezegd) verwant gedacht aan het mijne te toetsen, hij mocht zeker reageren, van op de fiets of via facebook. Lucien verschoot toen even, meende ik dat echt van die honderden columns die Nathalie en ik reeds verzorgd hadden? Toch noteerde hij bereidwillig onze auteursnaam, hij ging alles zo rap mogelijk checken, feedback volgde, da’s beloofd jong, tot de volgende! Alle volgende keren dat  Lucien nog kwam langsfietsen, heeft hij geen enkele maal gerept over dat onderwerp “wij, schrijvers”. Ons blog bleek blijkbaar ongelezen door hem, hij verkoos – pretentieus en snobsgewijs – zijn eigen auteurs en filosofen. Dat waren dan de grote namen uit de wereldlitteratuur, niet de gewone man die zijn naaste gebuur was geweest toen hij nog opperhoofd en bi-bepotelaar was bij de Spar. Hij had opeens ook een nieuw afleidingsmaneuver bedacht: oeverloos uitweiden over de glansrijke carrière van die zoon uit zijn tweede huwelijk. Een ingenieur met een eigen bedrijfje, wat een genie was me dat, en de vader gaf hem uiteraard exclusieve tips voor nog meer succes. Geen woord meer over zijn eerste “verloren” zoon, die bleef voor hem even dood als mijn eigen zoon. Lucien was een grootmeester in wegselecteren, een magistrale fantast van de bedrieglijke fantasie. Hij was soms een godje in het diepst van zijn gedachten (zo citeerde hij zichzelf). Met dien verstande (volgens mij): zijn gedachten dobberden aan de oppervlakte, zijn diepgang raakte direct en perfect aan de afgang. Ik heb maar één wens meer betreffende hem: schrijf u nu weg uit mijn leven en snel aub!

Mijn geliefde en ik zoeken meermaals per week verpozing –  en wat vergetelheid voor het leed dat gepaard gaat met deze mensenwereld – in onze favoriete topdancing
De Kroon te Scherpenheuvel, ons dansend bedevaartsoord. Maar naast een meerderheid van fantastisch goed volk, kan ook daar de hakbijl van de meedogenloze onverschilligheid soms neerkomen. Zo maakten we er kennis met het dartele Leentje, een blond en jong ogend vrouwtje dat door haar spontane vrolijkheid al snel ons vertrouwen won. Wij aanhoorden alle verhalen over haar wedervaren en vooral haar tegenslagen in de liefde, en wij beaamden: zij verdiende zeker beter, hoe rapper hoe liever. Zij keek met grote ogen naar ons, als dans- en als amoureus paar, zoiets ambieerde zij ook. Wij hebben wel even vermeld dat ook wij onze opdoffers hebben gekend, de mokerslagen door het verlies van onze kinderen: de (autistische) zoon van Nathalie werd ons afgepakt (gepikt) door een snode Zwitserse en mijn eigen zoon… zie het boek (zeiden wij tegen Leentje). Dat wou zij zo graag lezen, was haar antwoord, kon dat? Jawel hoor, we bezorgden haar terstond een exemplaar en de weken nadien… is zij daar geen enkele keer nog op teruggekomen. Na ongeveer anderhalve maand stelden wij haar voorzichtig de vraag: en ons boekje? Tja, daar had ze echt nog geen tijd voor gehad, zo druk druk druk… Na meer dan twee maanden kwam zij eindelijk vrolijk langs, met haar allercharmantste glimlach én… met het Boek van Vincent. Oef en oeps, dachten wij, maar neen hoor: zij had immers de ode aan mijn zoon helemaal niet gelezen. Dat verklaarde ze zonder verpinken, zonder blikken of blozen, zomaar, of toch: nog steeds geen tijd gehad. Het is er niet van gekomen en hoe gaat het voor de rest met jullie, vroeg ze, zoals steeds behaagziek kirrend en zoals wij nu goed zagen: onnozel als een griet die nooit volwassen is geworden en de wandelende nonchalance verkiest te vertolken, in de vaste maar valse overtuiging dat ze alles met haar uiterlijk naar haar hand kan zetten, maar… dat kutwijf had op ons hart getrapt. Exit lelijke Leen, ga heen, dans alleen, leef alleen, sterf alleen.

Meerdere mensen zoeken doorgaans graag ons gezelschap op, dat mag. Ze associëren zich dan met wat zij interpreteren als zijnde “glansrijk”. Ze laven zich op die manier erg makkelijk aan wat zij opvatten als een ideaal paar, maar ze verschieten zo vaak dat we ook een binnenkant hebben. Want daar zit onze diepste kern en met die essentie houden ze minder rekening. Wat zij (verblind) zien als de zon – onze zonnige kant – kan hen verstikken bij een dichtere contactname. Wij schijnen immers zonder voorbehoud voor mekaar, maar wij branden even rap het geloof in anderen op als wij benaderd worden met een aanpak van schone… schijn. Wie mee wil stralen, gelieve eerlijk te zijn.