Nathalie en ik keken met gezonde spanning uit naar 15 augustus, dat heet in de volksmond half oogst. Het is ook de derde zondag van de maand, de dag dat we onze kleindochtertjes mogen zien. Gedurende één uurtje, op hun thuisfront in Diest. Dat werd zo ingesteld door hun mama, mijn schoondochter Vé.

Aangaande deze regeling vroeg ze nooit onze mening, zij wikt en weegt en beschikt tenslotte. Haar verordeningen zijn ons gebod, zij heerst sinds de dood van mijn zoon als een onverbiddelijk godje in haar huiskring. Wij slikken ons ongenoegen en onze wrevel in, de kindjes gaan voor.

Maar komende zondag mogen wij plots niet gaan oogsten. De boerin verbiedt ons de toegang tot haar erf. Zij stelt de oogstpartij uit. Naar de reden hebben wij het raden. Wij worden pas één week later verwacht. Wij passen ons node aan, dit is emotionele overmacht. Zij speelt een spelletje, dat weten wij. Maar het blijft een pijnlijke affaire. Dit duurt al bijna drie jaar.

Sinds Vincent heenging is het hommeles met Vé. Het is de felle feeks die in de huid van de helse heks kruipt en omgekeerd. Als ze effe vertederd klinkt, dan bereiden wij ons al voor op erger. Op gif, chagrijn en venijn. Ze bespeelt het ganse gamma, van treiteren en pesten tot ons een pak stress bezorgen door telkens een afspraak te schenden of een belofte te breken. Ze is de onberekenbare weduwe. Mijn kleindochtertjes zijn de inzet. Het zijn de pionnen op haar schaakbord. Wij worden weggepokerd.

Dat overdenk ik allemaal tijdens deze trieste augustusdagen, de herfst valt vroeg dit jaar. De dagen gedragen zich grijs en nat, de avonden kijken somber. Om tien uur is het donker. De nacht daagt wakend op.

Nathaliefje leest mijn gedachten, zij spreekt niet, maar streelt mijn hart. Zij weet dat alles in mij om Vinnie weent. Zij begrijpt mijn inwendige tranen. Zij staat me bij in deze kille dagen, in deze barbarij van nacht en ontij. Augustus staat voor onrust, voor de laatste fase van fragiel geluk dat ons uiteindelijk ontglipte. Vinnie vocht zich naar zijn einde. Zijn hart begaf begin september. De winter kwam nog vóór de herfst.

Dat gedenken wij nu, mijn geliefde en ik. Wij krijgen de stille hysterie van Vé er gratis bovenop.

Dat doet pijn. De kleine meisjes beseffen niks. Nog niet. Daarom schrijf ik dit verdriet hier neer. De waardige waarheid. Later zullen ze dit lezen. We zullen praten, niet vergeten, noch vergeven.

Ik eindig deze tekst, een herdenkingsgebed, met een liedje van een andere lijder. In het nummer August bekent Gentenaar Pieter-Jan De Smet gelaten en verslagen zijn verlies, gepaard met een vaarwel. Zijn verhaal dekt niet exact mijn drama, maar de kleur en de teneur zijn vrij gelijkend.

Het gaat om een met oerkracht woekerende en verankerde verdroefdheid.
Een immense tristesse. Luister en huiver stilletjes mee met het bidden van zijn liedgedicht. De doodsklokken reutelen en dreunen onduldbaar hun morbide ritme… https://www.youtube.com/watch?v=MfW-5n2sdLs