Hier volgt het verhaal van de weduwnaar Désiré (85) uit Becquevoort, die meer dan een halve eeuw getrouwd was met zijn schone Juliette. Hij zit nu al een paar jaar alleen en vraagt zich af waarom hij nog leeft. Noch het portret van Juliette op de schouw, noch zijn trouwe hond Basiel kunnen hier een antwoord op geven. Daarom wandelt Désiré sommige nachten met zijn brave waakhond naar het kerkhof, dan gaat hij bij het graf van Juliette zitten en doet hij een klapke met haar, terwijl Basiel zachtjes jankt. Dit is het tafereel van een oude man die verschrikkelijk lijdt, enkel zijn hond lijkt hem nog te begrijpen.

De geest van kameraad Désiré takelt langzaam af, maar lichamelijk is hij meer dan berensterek, ooit was hij nog een beloftvolle wielerkampioen bij de jongeren. Het profcontract lag klaar, maar hij koos voor een bestaan als ambtenaar bij de stad Diest. Hierin had Juliette het laatste woord gehad. Dat vertelt hij ons rustig als wij bij hem in zijn boomgaard zitten. Ik had hem om een gesprek gevraagd, in de hoop dat hij wat anekdotes kon opdiepen over mijn familie in Becquevoort. Dat deed hij inderdaad, maar de rode draad in zijn betoog was altijd weer Juliette, wat miste hij zijn mooie vrouw. Het was ook zij geweest die de aanzet had gegeven tot hun levenslange relatie: hij was 15 jaar en fietste voorbij haar huis. Juliette (14) stond buiten, ze hield hem tegen en zei: wilt gij mijn lief worden? Natuurlijk, zei Désiré, want het was de bloem van de streek die hem dat vroeg. Daarop stapte Juliette op hem af, ze gaf hem een kus op de mond en daarmee was de liefdeszaak bezegeld voor de komende 65 jaar.

Désire reed toen dolgelukkig naar huis en zei direct tegen zijn moe: Juliette heeft me just gezegd dat ik nu haar lief ben. Moeder Florentine, een volkse vrouw en jonge oorlogsweduwe, bleek content en antwoordde: doe daar maar mee verder, die Juliette zal later prima voor u kunnen zorgen, ze is een uitstekende keuze. Weer wat kopbrekens minder voor de mama, want haar man Gerard was op zijn 30ste, als plaatselijke verzetsman, doodgeschoten geweest door een paar zwarten uit het dorp (Vlaamse collaborateurs met de nazi’s). Het gezin van Florentine, met behalve zoon Désiré, nog een ouder en een jonger dochtertje, had zonder kostwinner tijdens de oorlogsjaren zwarte sneeuw gezien en vooral veel honger geleden. Terwijl wij in zijn boomgaard zitten, wijst Désiré ons op een appelaar vlakbij: kijk, zegt hij, dat was vaak mijn eten in de oorlog, ik ging stillekes appels plukken en die at ik ’s avonds stiekem op in mijn bed. Hij haalt ook het edelmoedige voorbeeld aan van een arme buurman, zelf vader van een kroostrijk gezin, die soms een paar sneden droog brood schonk aan zijn zusjes. Dat gebeurde in den duik langs het hofpoortje, niemand mocht dat zien, want de jaloezie onder de mensen was toen groot. Ten bewijze hiervan: de andere buren waren de Maredsous, een schoolmeestersfamilie die verwant was aan dezelfde venijnige soort in Baalrode, die mensen – zogezegd van de betere klasse – werden door de boeren bedolven onder de noodhulp en voedselrantsoenen, vaak op voorspraak van de dorpspastoor. Maar Florentine en haar kinderen kregen daar niks van, de hovaardige Mardedsous lieten hen nog liever kreperen dan eens een (zelf gekregen) boterham weg te geven. Na de oorlog was men evenmin genereus, vertelt Désiré ons, want toen zijn moeder aanklopte bij de destijdse Openbare Onderstand, kwam ze eens één minuut te laat toe op dat kantoor voor de schaarse uitbetalingen. De verantwoordelijke zei haar zonder schroom of schaamte: sorry Florentine, geen centen deze keer, ge moet maar leren op tijd komen. Daar kwam wel een staartje aan, vervolgt Désiré, want onze nonkel Jos is daar meteen op afgestiefd en heeft die vent zijn keel toegepitst tot hij bijna in zijn broek scheet. De rekening werd terstond vereffend, zijn moeder kreeg haar steungeld, van een kermende en kreunende vrek van een vent.

Begin jaren ’50 is Désiré dan beginnen koersrijden, op een halvelings opgelapt fietsvehikel van diezelfde nonkel Jos, die tevens zijn manager, mentor en masseur werd. Maar trainen deed Désiré niet echt. Hij reed gewoon dagelijks over en weer naar de vakschool in Diest, tweemaal 12 kilometer dus. En dat bleek voldoende om haast iedere zondag ergens een podiumplaats te versieren, dikwijls won hij zelfs zijn wedstrijd. Zo heeft Désiré zes jaar lang in de koers gevlamd, de zeges opgestapeld en zijn prijzenkast flink gevuld. Eindelijk wat kleine weelde na die horrorjaren van de oorlog. Ons vader had het moeten geweten hebben, mijmert hij, wij zien tranen blinken in zijn ogen. Maar gelukkig was er Juliette, hij stopte elke namiddag als hij van school kwam gefietst bij haar thuis. Zij kusten dan wat af, herinnert hij zich schalks, ze waren ondanks hun prille puberleeftijd mekaars grote liefde, niemand kon dat nog verstoren. Wel snapte Juliette misschien niet het belang van die competitieve wielersport… terwijl iedereen in de gemeente en ver daarbuiten vond dat Désiré een toekomstig beroepswielrenner moest worden. Zijn talent was dat van een groot kampioen, het kon haast niet anders of hij ging de opvolger worden van Rik Van Looy, een paar jaar ouder dan Désiré en toen reeds een wereldvedette. Om maar te zeggen: onze verliefde fietsheld uit Becquevoort ging nationale – wie weet internationale – bekendheid verwerven.

Het moment kwam eraan dat Désiré zijn eerste contract mocht tekenen bij een gerenommeerde sponsor, dat ging reeds dik betaald worden, men wist immers dat men een prijsbeest ging binnenhalen, olala, dat beloofde wat. Toch gaan we eerst trouwen, besliste Juliette, geen probleem, ja graag, beaamde haar fietsende en nog steeds zwaar verliefde man. Zo geschiedde, nonkel Jos was de fiere getuige, maar fluisterde de bruidegom wel in het oor dat er vanaf nu harder moest getraind worden. Met amper 25 kilometer per dag ging hij er niet geraken bij de profs, die kilometers moesten minstens verdubbeld worden, dat mochten er op de duur ook 100 worden.  Dat was nog maar een minimum, vergeleken met Rik Van Looy. Hola jong, reageerde Juliette, dan ga ik mijn verse echtgenoot niet zo veel zien op een dag. Désiré had hierop geen antwoord klaar, nonkel Jos volhardde echter, maar de nieuwe echtgenote stond op haar strepen. Om een lang verhaal kort te maken: Désire haakte af, niet bij Juliette, maar hij zette zijn wielersport stop, weg de roem van een toekomstige kampioen. Nonkel was razend, Juliette content, haar man had het perfecte bewijs geleverd dat hij haar verkoos boven zijn koersfiets. Zij was blij dat ze samen een regulier huishouden konden beginnen, een knus gezin zonder hinderlijke aanwezigheid van opdringerige supporters en ambetante persmuskieten.

Désiré vertelt het ons gelaten en bedaard, het is gelopen zoals het moest lopen, oordeelt hij, Juliette was mij veruit de baas, zij besliste ooit dat wij een koppel zouden vormen, en ik wist meteen: oké, dat wordt mijn vrouw. Hij beklemtoont – tegen de roddels van zoveel mensen in – dat hij toen zonder enige spijt heeft afgezien van zijn beroepsrennerscarriére. Hij heeft het grote geld niet gemist en nog minder de bekendheid en het prestige. Hij had immers privé al het grote lot gewonnen en dat was zijn allerliefste Juliette… die hij nu verschrikkelijk blijft missen. Zijn huis is kil en leeg, aan alles kleeft haar warme herinnering, moest ik onze hond niet hebben, zegt hij en… zwijgt dan, hij kijkt naar Basiel die kwispelend bij een foto van Juliette zit.

Désiré schijnt ons een onmenselijk verdriet te torsen, maar toch, zielig en helemaal hulpeloos is hij niet, ergens in dat 85-jarige lijf schuilt er nog die onstuimige klasse en die ruige weerbaarheid van een (helaas gemankeerde) topsportman. Hij levert zelf het bewijs: onlangs had Basiel hem op een nacht wakker geblaft. Hij ging kijken aan het raam en zag dat er iemand aan de poort van zijn oprit zat te morrelen. Désiré is meteen naar beneden gehold, in zijn pyama, en heeft een lang en scherp keukenmes gepakt. Zo is hij de nachtelijke indringer tegemoet gestapt, die kerel dacht zeker: dat is een makkie, zo’n oud peeke. Désiré sprak echter geen woord, maar plantte zijn mes 5 cm diep in de buik van de donkere dief. Basiel gromde tevreden, klaar om het werk af te maken. Die bandiet is hier hevig bloedend weggelopen, eindigt Désiré zijn straf relaas, maar ik heb de lokale politie toch niet meer verwittigd, wie weet hadden ze mij wel opgepakt.  Ach beste vrienden, besluit onze bejaarde maat, wat heb ik nog te verliezen, zonder mijn vrouwke Juliette is het voor altijd koud in mijn bed geworden. Of ik hier nu alleen vegeteer of toch nog doodga in de bak, wat kan het mij tenslotte schelen? Sorry, ik verspreek me, er is immers onze Basiel, soms zit ik hier te wenen en dan bleit hij mee, precies een klein kind met verdriet, wij zijn nog altijd met ons twee om dat leed te delen.

Wij hopen voor Désiré dat er een hemel bestaat en dat Juliette daar nu woont, maar bovenal: dat honden daar binnenmogen.
Wij wensen hen een goddelijk asiel voor hun gedrieën, een nirwana voor afgestorven wezens, enkel dode voorwerpen zijn er streng verboden, zoals fietsen en messen.