Toen ik in het zesde leerjaar zat bij meester Van Thienen op het college in Diest, voelde ik me het ganse jaar gebouleverseerd, dwz: binnenste buiten gekeerd. Ik werd helemaal overhoop gehaald door een onderwijzer die nochtans het beste met me voorhad.
De brave man prees mijn studie-ijver en mijn slimmigheid vanaf de eerste dag. Die lof maakte me echter onwennig. Ik was nog steeds die verlegen jongen, afkomstig van de boerenstam in Baalrode – bekend om zijn dampende mesthopen en zijn kerkelijke pilaarbijterij – een onooglijk dorpke, waar diezelfde meester ook… van afkomstig bleek langs vaderskant. Dat maakte de band tussen mij en meneer Van Thienen nog strakker. Ik bezweek haast toen ik dat vernam, terwijl de meester het om de haverklap bleef herhalen voor mijn klasgenoten. Het effect bij mij was een bijna niet te overwinnen faalangst: ik mocht mijn klasleraar niet ontgoochelen of God – die toen nog de grote baas was in het onderwijs – zou mij straffen. Aldus slaagde ik er in om als 12-jarige het hele jaar door de primus van dat leerjaar te zijn. Terwijl ik tegelijk kapot ging van de stress, want meneer Van Thienen prees me daarom nog meer. Een uitzichtloze situatie voor een timide manneke dat zijn plechtige communie nog moest doen. Gelukkig bracht het eerste jaar van het middelbaar verlossing, als geslaagde communicant geraakte ik verlost van die strop rond mijn nek. Ik had voor eens en altijd geleerd dat presteren onder druk mij wel eventjes kon lukken, maar toch noodlottig zou zijn op termijn. Voor mij geen torenhoge ambities meer en zeker niet mikken naar de top. Ik heb het dan niet over relaties, seks en erotiek.
In het tweede middelbaar hadden wij een leraar Nederlands die afkomstig was van Meensel-Kiezegem: meneer Naetens. Het was een lieve, zachte man die steeds op rustige toon les gaf. Het was aanvankelijk wel wennen aan zijn uiterlijk: hij zag er uit als een landloper die makkelijk de kost had kunnen verdienen als vogelschrik. Zijn kleren hingen in flarden rond zijn lijf, zijn stro-achtig haar stond in pieken en gewoonlijk was hij dagenlang ongeschoren. Hij had afschrikwekkend gele tanden, een tandenborstel was in gans zijn dorp waarschijnlijk niet voorhanden, in één woord: hij was het prototype van de alternatieve bohémien uit de sixties, onvoorstelbaar vredelievend (op zijn gerafelde t-shirt lazen wij make love not war) en als leerlingen waren wij allemaal zijn kameraden, behalve ik… tja. Die van nature extreem amicale man gaf mij nóg een bonus er bovenop, een super-statuut.
Hij maakte voortdurend toespelingen dat wij streekgenoten waren en hetzelfde dialect spraken, enfin, ik had het weer aan mijne rekker. Ik hield eigenlijk niet van die te persoonlijke band met een leerkracht die van mij willens nillens weer een geval apart maakte.
Ik was wel door één aspect bij meneer Naetens aangetrokken: hij was een dorps- en leeftijdsgenoot van mijn grote idool Eddy Merckx. Deze beste Belgische sportman aller tijden was inderdaad geboren in Meensel-Kiezegem. Toen ik aan mijn leraar eens schuchter vroeg of hij Eddy van nabij kende, luidde het antwoord: ja hoor, hij is mijn neef. Maar verder kwam er geen uitleg meer, meneer Naetens klapte
over dat onderwerp precies dicht. Jaren later begreep ik dat dit met het oorlogsdrama van Meensel-Kiezegem te maken had. Het was een dorp dat nog steeds verdeeld was door een lokale vete, de witten haatten er nog altijd de zwarten en omgekeerd. In augustus 1944 waren er ongeveer honderd mannelijke dorpsbewoners terechtgesteld of naar de concentratiekampen afgevoerd door de nazi’s, na een moordaanslag van de partizanen op… Gaston Merckx, een jonge boerenzoon die behoorde tot een familie van fascistische collaborateurs. Deze vermoorde jongeman was evenwel geen rechtstreekse familie van Eddy Merckx. Niettemin is onze wielerkampioen hiermee dikwijls ten onrechte beklad geweest en dat straalde toen – meer dan twintig jaar later – ook nog negatief af op onze hippe leraar Naetens. Zelfs die flower power man leek nog bezwaard door de nasleep van deze oorlogstragiek. Ja, hij was familie van Eddy, maar hij had de moed niet om te zeggen: onze tak van de familie hoorde eigenlijk bij de witten in de oorlog, hij zweeg uit schrik… voor de nog levende zwarten. De verscheurdheid van een klein dorpke hulde zijn persoon bij wijlen in zwijgzaamheid en donkerte. Op die manier voelde ik me wél verbonden met die man. Ik bood hem in stilte mijn troost, want woorden hiervoor vond ik niet.
In het derde middelbaar kregen we eens een paar lessen wiskunde van meneer Schodts, een leraar die afkomstig was uit een buurdorp van Baalrode, namelijk het al even landelijke Assent. Wij kenden hem minder goed, hij verving slechts tijdelijk onze vaste (maar zieke) leerkracht voor dat vak. Valère Schodts was een indrukwekkende verschijning. Hij leek niet meer of minder dan een filmacteur uit Hollywood. Het was een grote en rijzige man met een atletisch figuur en het gezicht van een pure adonis. Die man was precies gebeeldhouwd, alle proporties klopten, angeliek – een schone engel vanuit een schilderij geplukt – én gepolijst mannelijk. Bovendien een mysterieuze zwijger, wat zijn charisma eigenlijk nog vergrootte. Hij gaf de les wiskunde als een rekenkundige mysticus. In de klas kon je een speld horen vallen als meneer Schodts doceerde. Hij bezat een natuurlijk gezag dat enkel maar respect afdwong. Wij keken ademloos en meer dan voorbeeldig gehoorzaam naar dit fotogenieke orakel uit het onooglijke Assent. Ik dacht altijd: wanneer merkt hij nu eindelijk op dat ik – als nabije Baalrodenaar – een gelijkaardige taal spreek? Noppes, de schone Valère was een hemelse sfynx die kwam lesgeven in de tijdelijke gedaante van een aardse mens. Onbereikbaar en onbenaderbaar voor de nietige leerlingen die naar die goddelijkheid opkeken.
Tot die noodlottige dag van het examen wiskunde. Meneer Schodts schotelde ons slechts één vraagstuk voor, waarop blijkbaar wel een uitgebreid en stevig uitgewerkt antwoord moest gegeven worden. Onze troost op voorhand bestond erin dat hij gekend was als iemand die nooit moeilijke opgaven voorlegde maar daarentegen karig was met zijn punten. Euh, niet moeilijk, zogezegd, maar ik kreeg toch kop noch staart van die vraag. Er was één vol uur uitgetrokken voor dat schriftelijk examen, maar na een klein half uurtje wist ik al hoe laat het was: hier ging ik niks van bakken, terwijl ik eigenlijk wel sterk was in wiskunde. Het probleem was dat ik gewoon geen invalshoek vond om aan de stelling van de oplossing beginnen te werken. Ik geraakte op geen enkele concrete of rationele manier van start. Daarom besloot ik ten einde raad al mijn gehanteerde pogingen in gewone taal uit te schrijven, los van cijfers en getallen of ander rekenwerk. Met ander woorden: ik begon aan een… opstel, waarin ik aan de leraar uitlegde wat mijn probeersels waren geweest, drie in aantal, om u een idee te geven: ten eerste dacht ik, maar helaas… ten tweede meende ik, spijtig echter… en ten derde overwoog ik, doch… Enfin, een alleszins eerlijk uitgeschreven woordelijk verslag van mijn prille denkpatronen om dit wiskundig raadsel letterlijk in taal te ontrafelen. Tja, het was niet dat ik hiermee de eer aan mezelf hield, maar ik stapte toch met opgeheven hoofd uit de examenzaal, dik gebuisd uiteraard. Maar toen kwam de goede goeroe Schots op de proppen. Hij… beloonde me met zes op tien. Ik was tegen alle verwachtingen in geslaagd, met een complete non-oplossing, maar in de ogen van het godje Schots toch met een valabele redenering. Meer nog, hij schreef in rode inkt op mijn verbeterd blad: een erg mooie en zeker originele poging om u uit deze onontwarbare knoop te werken, uw alternatieve inspanning verdient een nipt cijfer van 6/10 om u te laten slagen. Achteraf bekeken had ik het mezelf te moeilijk gemaakt, de invalshoek was (te) bedrieglijk simpel geweest. Ik had in mijn ijver om het (te) goed willen doen reeds bij aanvang de bocht gemist en zo mezelf op een dwaalspoor gebracht. De weg terug had ik niet meer kunnen rechttrekken, mijn talig verhaal ten spijt.
Maar wat was ik in de wolken met die genereuze geste van mijn raadselachtige leraar. De schone geadoreerde vedette-docent had persoonlijk tot mij gesproken in een uniek epistel van twee vergulde regels: hij bezegelde mijn lot in de gunstige richting van de wiskunde. Een blitse filmacteur uit Assent maakte de schuchtere jongen uit Baalrode gelukkig. Ik wou dat ik een poster van die man had kunnen kopen om aan mijn slaapkamermuur op te hangen, zo zou ik een beeldrijk rolmodel gehad hebben om, zoals hij, tegelijk knap en intelligent en excentriek en sexy te kunnen worden.
De lange leerschool van het college had me globaal gezien niet zoveel opgebracht, maar deze drie bovenstaande leraren drukten, elk op hun specifieke manier, toch een stempel op mijn latere carrière, zowel in het gewone leven als in de grote liefde. Wie mij van dichterbij kent, mag de bevestiging leveren of mijn stelling hier klopt. Ik wil graag de beste leerling van elke slimme lezer zijn.
