De kalenderdag waarop ik deze column opstart én ga afwerken is 12 mei 2025. Wanneer ik vind dat het schrijfwerk naar behoren is voltooid, gaat dit stuk naar onze reservekelder of opslagzolder. De plaatsing volgt dan later, wanneer we de tijd ervoor geschikt achten, een datum van publicatie wordt nooit op voorhand vastgelegd. Het is zelfs niet uitgesloten dat u het pas volgend jaar onder ogen krijgt, daarover beslist het redactiecomité, zijnde mijn sexy medewerkster – die gemakshalve ook mijn allerliefste echtgenote en talentvolle illustratrice is – hierin bijgestaan door uw nederige dienaar die als onbescheiden schrijver hier het pennenwerk verzorgt. Het is een huiselijke bedrijvigheid waarin wij ons beiden relax kunnen vinden, aan spanning of stress vegen wij ons gat, onze commerce draait bovendien op een gratis concept, soms werken wij aan teksten en tekeningen vanuit ons bed, tussen de liefkozingen door.

Dus nogmaals, beste lezers, wat u hier onder ogen krijgt, is opgesteld op maandag 12 mei 2025, daags na moederdag, door de vader die hier voor u het woord voert. Logischerwijze zou het posten dus door Nathalie kunnen geschieden, terwijl ik al naar de eeuwige literatuurvelden van de schrijversbond ben vertrokken. Dan zal ik vanop een woordenwolkje toekijken hoe goed mijn geliefde voor deze nalatenschap zorgt, maar ik weet nu al: zij zal dat doen in de geest van onze unieke verbintenis, gewetensvol en met grote zorg, want dat zijn de onsterfelijke ingrediënten van onze samenwerking. Tot in de sterren aan het firmament zijn wij verbonden, de hemel waarin wij nu reeds wonen, kan niet stuk als huis van ons geluk, ook na de dood blijft al wat van waarde is voor altijd overeind. Om maar te zeggen dat onze liefdevolle coöperatie op deze manier niet stopt bij het leven, wat wij aan de wereld van onze lezers schenken zal op zijn minst een individueel bestaan overtreffen, ook kleine kunst kan groter zijn dan een ego. Dit schrijf ik zeer bewust en helder van geest in de meimaand van 2025, straks doe ik dit stukje op slot, het komt in het kistje voor de lezers te liggen, het lot zal beslissen wanneer u het onder ogen krijgt.

Omdat ik vandaag niet kan weten of ik morgen 13 mei nog zal schrijven, geef ik hier nog enige wetenswaardigheden mee waarvan ik meen dat ze liefst opgehelderd worden voor een mogelijke buitenstaander er een misinterpretatie kan aan geven. Ten eerste, mijn betrokkenheid bij het veel aangehaalde Baalrode, mijn zogenaamde geboortedorp, dat ik de ene keer als veel te banaal en te onnozel voorstelde, de andere keer weer ophemelde tot proporties die wellicht wat overtrokken waren, ach lieve mensen én vroegere dorpsgenoten: alles voor de nobele schrijfkunst nietwaar. Ik had een vruchtbaar onderwerp nodig voor mijn creatieve bespiegelingen, en waar kan een mens dan beter gaan putten dan uit zijn prille kinder- en latere jeugdjaren, ik maakte er dus vaak luchtkastelen van met volkse nietsnutten of dorpse ridders, met felle vrouwen of erotische deernen die de ene keer nobele daden stelden en de andere keer lustig van hun kontgat gaven, ach zo zit het leven toch in mekaar. Ik dikte aan of zwakte af, het verhaal moet leesbaar en verteerbaar zijn, de waarheid zit niet per se in de exacte feitelijkheid, maar in zijn naakte onderlaag, dat was eigenlijk de essentie die ik wilde blootleggen, de mensen tonen zoals ze vooral niet aan hun buitenkant zijn, maar ze interner pakken, bij het vel van hun binnenkant. En daarin verschilt dat “voorbeeldige” Baalrode niet van de weelde aan figuren en vreemde situaties die bijvoorbeeld Becquevoort of Lotsbergen of Kotnaken te bieden heeft, en ik ga meer zeggen: in Brussel, in Zichen-Zussen-Bolder of zelfs op Gran Canaria of in Vaticaanstad lopen dezelfde rare vogels en/of beminnelijke soortgenoten rond, die unieke couleur locale is uiteindelijk toch universeel. De doorsneemens wil zowel rustig als avontuurlijk leven, de liefde is overal een prioriteit, en seks en erotiek zijn het lekkerste tijdverdrijf.

Ik kom nog even terug op de tijdelijkheid van alles, dus letterlijk: leef ik nog als u deze column leest? Eén ding weet ik momenteel (12/05/2025) zeker: dat dorp in mij is nog steeds niet… doodgegaan, het is toch zoals men zegt: je kan de jongen uit het dorp halen, maar niet het dorp uit de jongen. Baalrode leeft nog ganser dagen door in mij, ook de mensen die al lang op het kerkhof wonen, ik kijk soms naar een (jawel) vrolijke dodendans, het zijn zombies en spoken die mijn dromen bevolken, maar ik praat en ik lach met hen, we drinken een pint en we halen herinneringen op. Die dood is een onwrikbare fictie voor mij, we leven verder zolang er nog iemand aan ons denkt, ik ben op dat vlak een positivistische opschrijver, die zelfs een stem wil geven aan de lijken, schoon of lelijk, ik laat hen spreken. Om te beginnen mijn afgestorven familieleden, gevolgd (in een dolle polonaise) door de buren, vrienden en kennissen, ik haal ze terug naar het centrum van mijn optimistische bewustzijn. Hier en daar struikelt er dan een nog levend creatuur over mijn verbeeldingskracht, maar geen nood, die schrijf ik dan wel dood. Grapje hoor, maar zoiets begrijpen een paar azijnpissers dan weer niet. Ze sterven nog liever bij de letterlijkheid van het leven dan een greintje fantasie te proberen, een vleugje ironie is een vieze zonde en op humor rust een vloek, daar worden sommige dorpelingen in Baalrode woest & woedend van. Alhoewel, desondanks ben ik een dorpsgenoot gebleven, mijn hart staat er nog in een achterkamer. Ik leerde er de foute manieren en de  stoute streken waarmee ik hen nu soms te kakken zet, ik spot in de eerste plaats met mezelf als kleine dorpsrakker, een groot geworden jongen uit dat platter dan plattelandse Baalrode. Wat ge zegt, zijt ge zelf, zei de wijze zot.

In het kader van dit laatste betoog doet het me pijn dat ik zo slecht ontvangen werd door mensen van wie ik dacht dat ze, behalve naaste buren van vroeger, ook geliefde kennissen waren gebleven. Ik ging er op bezoek samen met mijn echtgenote, we hadden ons huwelijksalbum mee – een misschien naïef initiatief van mezelf – en ik vertelde er met fierheid en plezier over mijn gelopen levenspad en hoe ik met vallen en opstaan toch glorierijk de eindmeet had gehaald. De gastvrouw en haar oude moeder lachten zwakjes, ze hadden meer aandacht voor hun twee miauwende katten dan voor onze trouwfoto’s, zowel de frisdrank als de koffie die we kregen waren lauw, de kopjes en de glazen leken ons verdacht ongewassen en de tafel  waaraan we zaten was effenaf vuil. Ik schaamde me rot, want ik had voordien tegen Nathalie hoog opgegeven over de authentieke warmhartigheid en de dorpse gemoedelijkheid van dat soort oervolk. Het bestaat nog echt en het woonde in Baalrode, zo had ik “gestoeft” over mijn voormalige geburen, ik had ze de hemel ingeschreven bij leven. Wat een vreselijke anticlimax was me dat geweest, ik had mezelf en mijn lang gekoesterde nostalgie zien vernietigd worden, door een paar zielige mensen, die er uiteindelijk ook niet konden aan doen dat ze zo nietsontziend… nietig waren.

Soms, of vaak, overschat ik het belang van mijn hang & drang naar  Baalrode, ik werd er “slechts” geboren, ik kreeg er zelfs vele klappen, terwijl ik er bij momenten sereniteit en vrede kende, ik had er schone verkeringen en leerde er wat seks is en wat gebrek aan… liefde betekent. Het was zowel een hel als een paradijs, maar alles bij tijd en wijle: zoals het leven er kabbelde en zoals ik er spartelde, dat kon eigenlijk overal geweest zijn.

Dit is een stukje dat niet volledig afgeraakt, ik stop mijn poging tot verdere analyses over wat sociale afkomst en geografische achtergrond kunnen betekenen in een mensenleven. Ik weet het ook niet zo goed, ik verblijf nu met gans mijn hartelijke en lijfelijke aanwezigheid in die diepe –  zoete & zwoele – zielsverwantschap met Nathaliefje. Dit hopelijk erg voortijdige testament werd neergeschreven en afgesloten op 12 mei 2025, misschien is er sindsdien een atoombom gevallen, net naast of pal op één of ander Baalrode in deze wereld. Het maakt weinig verschil in het kader van de kleinheid die ten alle kante regeert, wat niet belet dat wij naar grootsheid & geluk kunnen streven. We mogen ons niet laten stoppen door onze sterfelijkheid, laten we sterk zijn en vechten voor onze liefde. Bouw dat verlangde dorp binnenin, de beste (herboren) plek is de beminde plaats tussen man en vrouw.