De Nederlandse romancier Heere Heeresma (1932-2011) schreef in de jaren ‘70 zoveel bestsellers dat zijn uitgeverij hem aanmaande om voorlopig geen nieuw werk meer te produceren, want hij beconcurreerde zijn eigen boeken. Dus trok het flamboyante heertje zuidwaarts, hij week uit naar Frankrijk, om daar een exclusieve bezigheid te bedenken, liefst winstgevend en als het kon ook frivool, in zijn geval: erotisch. Want dat laatste was als auteur ook al zijn favoriete onderwerp. Hij schreef als progressieve hippie graag over de vrije liefde en testte de ongeremde seks vrolijk uit in de praktijk. Vandaar kwam hij op een illuster én lucratief idee voor die tijd: hij opende een… peepshow in hartje Parijs, hij betaalde er mooie meisjes die voor hem op een gesloten platform kronkelden, kreunden en stripten, terwijl de mannen vanuit een hokje toekeken en moesten afdokken via een betalingssysteem in de wand dat hen verdere minuten gluurgenot verzekerde. Heere Heeresma zat aan de kassa en telde zijn makkelijk verdiende centen, daarna zakte hij nog verder zuidwaarts af en strandde in het mekka van de vrije seksualiteit en de exclusieve parenclubs: het libertijnse Cap d’Agde.
Daar hield hij het zelf echter netjes, hij opende er een keten… wassalons, de van uitspattingen bevuilde kleren kwamen er spic en span uit zijn trommels, de wasmotoren walsten de seksvlekken schoon.
Heeresma was echter zoveel meer dan een gewiekste middenstander in de erotiek, hij was als nozem en provo een authentiek kind van die turbulente jaren: dus moesten niet alleen Nederland en Frankrijk ontgonnen worden. Ook de derde wereld kwam principieel aan bod. Vandaar zijn (aangezwengeld) moreel betoog in de literaire novelle én het kassucces: Han De Wit gaat in ontwikkelingshulp. Dat boekje was voor mij als 15-jarige een klein bijbeltje. Ik snapte die natte droom van Han perfect, ik wou ook naar die negerlanden om daar ons evangelie te prediken aan de jonge negerinnen. Wie weet kreeg ik er betaling in natura, plus kost en inwoon bij kroostrijke gezinnen met meerdere dochters die allemaal geen kleren droegen. Daar fantaseerde Han ook over, dat was zijn dagelijkse obsessieve bezigheid op zijn studeerkamertje. Dat bracht hem telkens zo in vervoering dat hij – klaar om elk bloot negermeisje te gerieven – al zijn kleren uittrok en op zijn jongensfluit wat opgewonden muziekjes speelde, tot aan de climax. Om zijn moeder te verschalken had hij een zelfreinigende truc bedacht:
hij zette tijdens zijn fluitspel de stofzuiger aan, zo dacht zijn mama: onze
Han toch, die houdt het proper, zo voorbeeldig. Zelf had ik geen stofzuiger op mijn eigen kamer, maar ik oefende evengoed om later aan dat soort ontwikkelingshulp te kunnen doen: bekeringswerk en prettige seks gingen hand in hand. Als aankomende missionaris van de losse moraal vond ik in Han een gedroomd rolmodel.
Tijdens zijn jongere jaren, zo ongeveer tot zijn 40ste, kampte Heere Heeresma wel met een stevig drankprobleem. Hij wilde zich in die mate tegen de traditionele burgerzeden keren dat hij er zich eigenlijk in verzoop. Hij bedronk zich te vaak en ging dan kopje onder in zijn eigen dwarse betogen over de hervorming van de maatschappij die hij en zijn revolutionaire maten uit die prille sixties beoogden. Tot hij op zekere dag het nuchtere licht zag, hij kapte bruusk met elke vorm van alcoholgebruik en schreef de tragiek van dat soort dronken excessen van zich af met een verpletterend werkje: Een dagje naar het strand. Een erg kort maar intriest relaas van een papa-alcoholieker die met zijn zoontje een trip naar zee maakt en daar gaandeweg – pintje hier, blikje daar, nog een slokje, en nog, en nog – stomdronken raakt. Met zijn kind eerst nog aan de steeds maar losser wordende hand, tot hij het ergens kwijtspeelt op dat immense strand dat voor hem in zijn complete zattigheid een verzengend moeras blijkt, waar hij nog nauwelijks op zijn benen kan staan en nergens nog een glimp van het vermiste jongetje kan ontwaren. Het is misschien
verzopen lalt hij met dronkenmanstranen tegen onbekenden. Ze zien een verlepte zuipschuit die nog liever op zelfmedelijden teert dan bezorgdheid vertoont voor zijn verdwenen – door hem uit het oog verloren – zoontje. Het verhaal kent een tergend open einde: de verdwijning blijft onopgelost, daarmee tekent Heeresma het verwerpelijke leven van een man die hij zelf had kunnen geweest zijn, een totaal onverantwoordelijke vader, net niet dus.
Ik vertel hier over een haast volledig vergeten schrijver uit de tweede helft van vorige eeuw. Toch is hij voor mij een beklijvend figuur gebleven: omwille van zijn heerlijke dwarsheid, zijn meedogenloze eerlijkheid en zijn minutieuze ontrafeling van een gespleten burgermoraal. Heere Heeresma was in even grote mate brutaal als geniaal. Hij fileerde eerst zichzelf en daarna de gedweeë samenleving, waarvan hij de laffe oogkleppen afrukte en de blinde vlekken blootlegde. Hij was nukkig en dwars, maar tegelijk tegendraads gelukkig omdat hij zijn eigen universum durfde creëren.
Een paar jaar geleden zat ik in een Mechels café op mijn geliefde te wachten. Het was een nogal volks etablissement met halve en hele zatlappen aan de toog. Dat stoorde me niet, ik nipte van mijn koffie en werd dronken op mijn manier: Nathalie was op komst, dat volstond. Op zeker moment ving ik echter een gesprek op van een koppel dat vlak in mijn buurt stond: de man – een dertiger – was volgens mij bezig aan zijn zoveelste pint en flirtte met een frivool meisje van vooraan in de twintig dat om elke dwaze uitlating van die gast in lachen uitbarstte. Ik hoorde de reeds lichtjes benevelde man duidelijk zeggen dat hij… de tijd niet uit het oog mocht verliezen, hij moest zijn zoontje tegen vier uur aan de schoolpoort gaan oppikken. Het kind kon niet alleen naar huis, het was slechts zes jaar, en zo lalde hij verder terwijl het lichtzinnige meisje ook dát erg grappig vond. Het werd kwart voor vier, daarna vijf voor vier, de twee lulden gewoon maar door. Geen van beiden sprak nog over het kind, terwijl ik wel hoorde dat de man een geil plan in petto had, om zijn toogvriendin mee naar huis te nemen. Zij zegde precies niet meteen neen. Om kwart na vier dronken ze nog steeds stevig door. Ze hadden al zitten tongkussen en geen van beiden hoorde in de nabije verte een schoolbel rinkelen: voor niks. Er werd ondertussen wel degelijk iemand vermist: er was een kind van de rekening, dat misschien weende? Het was voor mij kantje boord om me hier niet mee te moeien. Ik dacht (gemakshalve): ach misschien is er nog een moeder die kan opgeroepen worden door de school. Maar deze schrijnende scène bracht me wel pijnlijk dichter bij de schrijver Heere Heeresma en zijn Een dagje naar het strand. De drank velt een vader, hier wil hij zelfs nog snelle seks met een toogtrol vooraleer zijn kind aan bod komt. Daar werd ik heel triest van. Ik had plots een dwingende zorg om te delen met mijn schoon lief dat in aantocht was. Ik wist één ding zeker: wij zouden als man en vrouw een verbond smeden waarin we oprechter in de wereld stonden, met meer integriteit, altijd eerlijk in alles. Wij wilden zelfs aan ontwikkelingshulp doen, gul en onbaatzuchtig, door op een immer nuchtere manier goed te zijn voor mekaar.
