Mijn geboortedorp Baalrode was in de jaren zestig een stevig katholiek nest. De pastoor en de onderpastoor behoorden onmiskenbaar tot de notabelen, naast de hoofdonderwijzer, de gemeentesecretaris en de dorpsdokter. Men kwam zelfs van nog erbarmelijker tijden, de jaren vijftig en eerder, gewoon een anekdote ter illustratie. Ik weet van mijn moeder dat de meid van de pastoor soms langs kwam bij hen thuis met de melding van mijnheer pastoor dat Louis in den hof moest komen werken. Louis, dat was mijn grootvader, een brave en onderdanige sloeber van een keuterboer. Louis gehoorzaamde met hangende pootjes aan het dictaat. Hij trok ’s anderendaags naar de pastorie en voldeed daar devoot aan de bevolen missie.

Om maar te zeggen, de Kerk en brutale potentaten, het ging prachtig samen. De mensen werden bewust dom gehouden, doem en zonde dreigden overal. De venijnige clerus schonk vergeving voor wie zich goed gedroeg, gedwee het verlegen hoofd boog. Laat ons vooral niet te hard lachen met vergelijkbare praktijken in de actuele islam, wij komen nog maar pas uit dezelfde obscure domheid.

Maar het was niet altijd katholieke kommer en kwel, er werd ook wel eens gelachen vanachter de soutane. In dat zwarte kleed zat soms een man van vlees en bloed, zelfs met ballen aan zijn lijf. Ik kende er zo ééntje.

Het was deonderpastoor van onze parochie, een leeftijdsgenoot van mijn ouders en welkome gast bij ons thuis. Hij was een vrolijke en felle Kempenaar, een zeer gedreven man, bekommerd om ouden en zieken, weduwen en wezen, met oog voor schoonheid overal, ook daar waar zijn gelofte van kuisheid hem dat misschien verbood. Ik wil eigenlijk zeggen dat hij wel merkte dat ons ma goed voorzien was van oren en poten dat ze malse marchandise had, op zijn minst schoon gerief voor zijn ogen.

En hij kwam vaak langs, daarmee bedoel ik meermaals per week, voor een goeiendag en een kwinkslag. Ik zat er altijd bij, dacht ik toch, maar ik kon natuurlijk niet weten wanneer en hoelang hij kwam als ik er niet was. Een raadsel, vooral omdat in het dorp verteld werd dat ik verrassend op hem leek, met mijn spichtig lijf en mijn rosse haar. Daar was ik weerloos tegen, zulke praatjes maakten mij onwennig. Tot een kameraad mij uitlegde dat het gewoon niet kon, de wetten van de voortplanting weerlegden dit biologisch. Want, doceerde hij geleerd in korte broek en met snottepiet, de onderpastoor was pas toegekomen in de parochie toen ik reeds geboren was. Toch een sterk argument, ik herstelde even, maar bleef hoogst onzeker. Het was ook zo verdomd dubbel want ik had een fantastische band met de man in zwarte rok… soms met zichtbare bobbel.

Hij hield ook halte bij ons thuis om mij op te pikken, ik mocht dikwijls mee met zijn petieterige Fiat 500 als hij zieken ging bezoeken of langs moest bij de bisschop in Mechelen. Daar ging hij om de maand alles opbiechten, ik had er het raden naar, was het ook de mogelijke ontucht met ons ma? In ieder geval, de bisschop moet hem meteen vergeven hebben, en ik dan gemakshalve ook, want de baten waren inderdaad groter dan de lasten. Ik reed immers mee per auto, plezant was dat, het kleurde mijn prille jeugd.

Op woensdagnamiddag was Leuven onze vaste bestemming, voor mij was dat toen de grootstad. Ik werd overstelpt door dat massaal slenterende volk en die immense gebouwen, overal die carrousel van zwierige auto’s, en niemand werkte hier, zo las ik dat dansende stadslandschap. Maar wij kwamen er met een vaste opdracht, we gingen wekelijks een karrenwiel ophalen. Zo grapte de onderpastoor toch, hij had het over de gigantisch grote filmspoelen die wij afhaalden bij bioscoop Rex aan het station, de latere seks-cinema.

In die vroege jaren zestig was er hoogstens een bloot been te zien op de affiches of een halve borst, voor mij weliswaar hoogst erotisch in die tijd. Maar zoiets besprak ik niet met mijn katholieke vader, hij was ook te druk met prospecteren in de catalogus. Alle onkuise vlees moest geweerd worden, geen bevlekking of smet voor onze lokale parochiereclame.
Ik verklaar mij nader, wij gingen wekelijks een andere film ontlenen voor vertoning in de parochiekring. Mijn pa was daar een naaste medewerker, hij zat telkens op een verhoogje achter in de zaal. Hij liet het karrenwiel technisch perfect draaien. Ik keek mijn ogen uit mijn kop naar klassiekers zoals Ben Hur, Spartacus en De Tien Geboden. Tijdens de pauze bekwam ik van de emotie met een frisco. De onderpastoor keek mee, viseerde en censureerde, dat veronderstelde ik toch vanuit het stille donker. Natuurlijk kon ik niet zien of hij ondertussen geen verpozing zocht, bij mijn familie.

Ook op zondagvoormiddag zette hij mijn vader aan het werk. Pa moest de dorpsbibliotheek beheren, lezers ontvangen en adviseren, voor goeie sfeer zorgen, boeken van het Davidsfonds laten circuleren, en de goddelozen zoals Claus en Boon weren. Ik las gretig mee, vijf boeken per keer, onder andere de katholieke pederasten zoals de vage Lod Lavki, deskundige internaat- annex slaapzaalverhalen voor jonge rukkers, de auteur op kop.

Ik las me te pletter, dook onder in de literaire jongenswereld en smokkelde volwassen proza mee naar buiten als de helper van pa even het werk ded. Zo kwam ik weg met Gerard Walschap en Marnix Gijsen, ontdekte ik sluimerende erotiek en bedekte sekstaferelen. De grote wereld ging voor me open, wat een weelde voor een blozende jongen.
Heerlijk toch, ik begon stilaan die toespelingen te snappen, ook van de onderpastoor tegenover ons ma, zelfs als onze pa er bij was. Hun bedekte mopkes, hun besmuikt geknipoog, hun stiekeme onderbroekenhumor.

Ik deed altijd alsof ik las of speelde maar mijn oren tuitten, ik vond dit ook niet vuil, de Kerk vertoonde gewoon zijn waar gelaat met een priester die plezier had in de opwinding die een volle volkse vrouw hem bood. Er was niks verkeerd aan, er was enkel begeerte van mensen die voor de gelegenheid eindelijk eens eerlijk waren, en tja, ook wat woordgeil. Net geen onheilige daden dacht ik.

Onze onderpastoor werd weggepromoveerd uit de gemeente, zijn talent en branie dwongen hem naar een hogere positie. Vooral zijn charme was onweerstaanbaar, hij was een publieksspeler, een vrouwenidool. Hij kon elders meer volk trekken oordeelde de Kerk. De kracht van het getal, zoals voorgeschreven door het orakel Rome: domineer, heers over de menigte.

Onze katholieke rocker werd volwaardig pastoor, later deken in de stad.
Maar hij bleef bij ons langskomen, ook wat pronken. Opeens had hij een toch wel verrassend schoon madam als meid. Het was een flinke boerendochter met vooraanstaande boezem, een frisse verschijning, kort gerokt en strak gekleed, op hoge hakjes en geparfumeerd tot onder haar kleed. Ze kwam zo uit de betere film gestapt, een diva van Fellini, net niet expliciet erotisch, maar wel met stille laagjes sexappeal. Ik pikte dat op.

Ach wat een schone man was hij, dik verdiend voor hem dat nieuwe lief.
Ik heb ze graag zien komen, het doek van de cinema ging dan open. Ik zag lakens en dekens in het rond vliegen, ze verslikten zich in elke hostie, de wijn droop ongeduldig over de wulpse meid haar lijf, hij likte in haar het lichaam van Christus, zijn versie. Ik wist al beter, het was zijn hete teef en wat was daar mis mee? Ze zijn samengebleven, voor de rest van hun leven hebben ze het bed gedeeld, in opperste katholieke vrede.

Het waren de zeldzaam schitterende beelden uit mijn jeugd, de erotiek die zijn intrede deed, eerst sluimerend, daarna duidelijker, tot zeer weelderig. Met dank aan het werk van de Kerk en een heerlijk gezonde onderpastoor.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.